X had een auto met een grijs kenteken. Op de laadvloer van de bestelauto waren twee stoelen geplaatst die waren bevestigd door middel van een fabrieksmatig aangebracht, in de vloer verzonken bevestigingssyteem (een clicksysteem). De inspecteur was in 2004 van mening dat het voertuig daarom als personenauto moest worden aangemerkt en legde een naheffingsaanslag BPM op. Bezwaar en beroep volgde.

De Hoge Raad besliste dat het voertuig, nu twee autostoelen waren geplaatst in het compartiment achter de bestuurdersstoel en de naastgelegen passagiersstoel, ondanks dat deze eenvoudig te verwijderen waren, niet meer voldeed aan de definitie van bestelauto en dat de heffing van BPM rechtmatig was.

Dit arrest is ook van belang in de hedendaagse situatie waarin vrijstelling van BPM geldt voor autoís die door ondernemers zakelijk worden gebruikt. Als het voertuig niet meer aan de definitie van bestelauto voldoet, bijvoorbeeld omdat extra zitplaatsen zijn aangebracht, en daardoor personenauto is geworden, vervalt het recht op vrijstelling en is BPM verschuldigd.

Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
20 maart 2009
Nr. 43921

ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van FinanciŽn tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 januari 2007, nr. 05/00356, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM).
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van FinanciŽn heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is in de periode 26 maart 2004 tot en met 10 november 2004 houder geweest van een auto, voorzien van een zogenoemd grijs kenteken (hierna: de auto).
Op 26 oktober 2004 is de auto te Q gecontroleerd door ambtenaren van de Belastingdienst. Daarbij is geconstateerd dat op de laadvloer van de auto twee stoelen waren geplaatst. Deze stoelen waren bevestigd door middel van een fabrieksmatig aangebracht, in de vloer verzonken bevestigingssysteem (een clicksysteem).
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat door de plaatsing van die stoelen de auto niet voldoet aan de in artikel 3, lid 3, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen (tekst 2004; hierna: de Wet) opgenomen omschrijving van een bestelauto, doch een personenauto is waarvoor BPM dient te worden voldaan. Bij de onderhavige naheffingsaanslag heeft hij deze belasting nageheven.
3.2. Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 augustus 1999, nr. 34650, BNB 1999/385, geoordeeld dat de auto over een laadruimte beschikt die in het geheel is voorzien van een vlakke laadvloer. De tekst van de Wet biedt naar het oordeel van het Hof, mede gelet op de uitleg die daaraan in voormeld arrest van de Hoge Raad en het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1992, nr. 28235, BNB 1993/77, is gegeven, de mogelijkheid om met behoud van de hoedanigheid van de auto als bestelauto, in de laadruimte twee stoelen te plaatsen die worden vastgemaakt aan in de laadvloer verzonken bevestigingspunten, zolang het maar mogelijk is de stoelen op eenvoudige wijze te verwijderen, waardoor de vlakke laadvloer intact blijft.
3.3. Het middel betoogt onder meer met een beroep op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet zoals deze is komen te luiden met ingang van 1 januari 2004, dat het onjuist is om alleen de technische kenmerken van de auto - na het verwijderen van de stoelen - van doorslaggevend belang te achten.
3.4. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn hiervoor in 3.2 vermelde arrest van 24 augustus 1999, kan nadat in de laadruimte van een bestelauto een houten bak met daarin een kinderzitje is aangebracht nog steeds sprake zijn van een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer. Dit oordeel gaat echter niet op indien twee autostoelen zijn geplaatst in het compartiment achter de bestuurdersstoel en de naastgelegen passagiersstoel. Immers door die plaatsing behoudt slechts het compartiment achter de bijgeplaatste stoelen de functie van laadruimte.
Voor het Hof was klaarblijkelijk niet in geschil dat daarvan uitgaande de auto ten tijde van de controle niet voldeed aan de wettelijke definitie van bestelauto.
3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene slaagt het middel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de door belanghebbende voor de Rechtbank aangevoerde klachten die door de Rechtbank en het Hof niet zijn behandeld.

4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2009.