Op 2 april 2009 oordeelde het Hof van Justitie (HvJ) in de zaak Tyson Parketthandel (C-134/08) over de rechtmatigheid van heffing van aanvullende douanerechten op goederen die op de datum van eerste toepassing van het aanvullende douanerecht onderweg waren naar de Gemeenschap.

Het HvJ kiest voor een strikte uitleg van de verordening waarbij het aanvullende douanerecht is ingesteld. De goederen waren op datum van inwerkingtreden van de verordening onderweg naar de Gemeenschap en de bestemming kon niet worden gewijzigd. Het aanvullende douanerecht werd daarom terecht geheven.

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
2 april 2009 (*)

„Verordening (EG) nr. 2193/2003 – Aanvullende douanerechten op bepaalde producten uit Verenigde Staten van Amerika – Werkingssfeer ratione temporis – Artikel 4, lid 2 – Producten die zijn uitgevoerd na inwerkingtreding van voornoemde verordening, maar waarvan kan worden aangetoond dat zij bij eerste toepassing van deze rechten reeds onderweg waren naar Gemeenschap – Toepassing”

In zaak C‑134/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) bij beslissing van 20 maart 2008, ingekomen bij het Hof op 2 april 2008, in de procedure

Hauptzollamt Bremen

tegen

J. E. Tyson Parketthandel GmbH hanse j.,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Borg Barthet (rapporteur) en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Schønberg en C. Hermes als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 2193/2003 van de Raad van 8 december 2003 tot instelling van aanvullende douanerechten op bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 328, blz. 3).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hauptzollamt Bremen (hierna: „Hauptzollamt”) en J. E. Tyson Parketthandel GmbH hanse j. (hierna: „Tyson Parketthandel”) ter zake van de heffing van een aanvullend douanerecht op een lading lange vloerplanken uit de Verenigde Staten.

Bepalingen van gemeenschapsrecht

3 De punten 3, 5 en 6 van de considerans van verordening nr. 2193/2003 luiden:

„(3) De instelling, in fasen, van aanvullende invoerrechten tot 17 % ad valorem op alle geselecteerde producten uit de Verenigde Staten wordt beschouwd als een eerste passende tegenmaatregel tegen het niet uitvoeren door de VS van de aanbevelingen van het DSB [orgaan voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)]. Wanneer het bovengenoemde niveau aan aanvullende rechten is bereikt, zou de Commissie bij de Raad een voorstel voor verdere actie indienen, afhankelijk van de ontwikkelingen.

[...]

(5) Deze aanvullende douanerechten mogen niet worden toegepast op producten waarvoor vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening een invoervergunning met vrijstelling of verlaging van douanerechten is afgegeven.

(6) Deze aanvullende douanerechten mogen ook niet worden toegepast op producten waarvoor kan worden aangetoond dat zij vóór de datum van eerste toepassing van de aanvullende douanerechten uit de Verenigde Staten van Amerika naar de Gemeenschap zijn uitgevoerd.”

4 Artikel 2, lid 1, eerste streepje, van voornoemde verordening bepaalt:

„Voor de in de bijlage bij deze verordening genoemde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika worden, naast de douanerechten op grond van verordening (EEG) nr. 2913/92, aanvullende ad-valoremrechten ingesteld, en wel als volgt:

– 5 % van 1 maart 2004 tot en met 31 maart 2004.”

5 In artikel 4, leden 1 en 2, van die verordening wordt bepaald:

„1. Het aanvullende douanerecht is niet van toepassing op in de bijlage genoemde producten waarvoor vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening een invoervergunning met vrijstelling of verlaging van douanerechten is afgegeven.

2. Het aanvullende douanerecht is niet van toepassing op in de bijlage genoemde producten waarvan kan worden aangetoond dat zij op de datum waarop deze verordening in werking treedt, reeds onderweg waren naar de Gemeenschap en waarvan de bestemming niet kan worden gewijzigd.”

6 Artikel 5 van verordening nr. 2193/2003 luidt:

„Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.”

7 Voornoemde verordening is op 17 december 2003 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8 Tyson Parketthandel heeft op 5 maart 2004 aangifte gedaan voor het in vrije verkeer brengen van een lading lange vloerplanken van kersenhout van postonderverdeling 4409 20 98 van de gecombineerde nomenclatuur, die bijlage I vormt van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003 (PB L 281, blz. 1); deze lading was afkomstig uit de Verenigde Staten waar zij op 20 februari 2004 voor verzending per schip was verladen.

9 Het Hauptzollamt heeft bij belastingaanslag van dezelfde dag voor Tyson Parketthandel invoerrechten vastgesteld, te weten een aanvullend douanerecht en omzetbelasting bij invoer. Het aanvullende douanerecht werd overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2193/2003 als ad-valoremrecht van 5 procent geheven.

10 Het door Tyson Parketthandel tegen die aanslag ingediende bezwaar, dat enkel tegen het aanvullende douanerecht was gericht, is afgewezen.

11 Tyson Parketthandel heeft tegen de beslissing tot afwijzing van het bezwaar beroep ingesteld bij het Finanzgericht Bremen, dat de aan die vennootschap gerichte aanslag invoerrechten nietig heeft verklaard, voor zover een aanvullend douanerecht was vastgesteld en bij de vaststelling van de omzetbelasting bij invoer in aanmerking was genomen. Het Finanzgericht Bremen was namelijk van oordeel dat de overgangsregeling van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003, gelet op de tekst van punt 6 van de considerans van die verordening, aldus moest worden uitgelegd dat geen aanvullend douanerecht mag worden geheven op producten die vóór de datum van eerste toepassing van de regeling inzake aanvullende douanerechten, dat wil zeggen vóór 1 maart 2004, reeds onderweg waren naar de Gemeenschap en waarvan de bestemming niet kon worden gewijzigd.

12 In het kader van het tegen die uitspraak van het Finanzgericht Bremen ingestelde beroep in „Revision” voert het Hauptzollamt aan, dat artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003 niet in strijd met de duidelijke formulering ervan mag worden uitgelegd.

13 In zijn verwijzingsbeslissing verklaart het Bundesfinanzhof dat de duidelijke en ondubbelzinnige formulering van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003 en de vergelijking van de Duitse taalversie met de Franse en de Engelse taalversie van die bepaling ervoor pleiten om het voorschrift overeenkomstig de formulering ervan toe te passen. Toch koestert de verwijzende rechter in het licht van punt 6 van de considerans van die verordening twijfel of de formulering van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003 werkelijk de bedoeling van de gemeenschapswetgever weergeeft.

14 Van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding een uitlegging van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003 noodzakelijk is, heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Moet artikel 4, lid 2, van verordening [...] nr. 2193/2003 [...] in strijd met de formulering ervan aldus worden uitgelegd, dat het aanvullende douanerecht niet van toepassing is op producten waarvan kan worden aangetoond dat zij op de datum van eerste toepassing van deze aanvullende douanerechten onderweg waren naar de Gemeenschap en waarvan de bestemming niet kan worden gewijzigd?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

15 De twijfel van de verwijzende rechter met betrekking tot de uitlegging die aan voornoemde bepaling moet worden gegeven, vloeit voort uit het feit dat de tekst van punt 6 van de considerans van verordening nr. 2193/2003 te verstaan geeft dat geen aanvullende douanerechten mogen worden toegepast op producten waarvan kan worden aangetoond dat zij vóór de datum van eerste toepassing van die rechten – dat wil zeggen volgens artikel 2, lid 1, van die verordening vóór 1 maart 2004 – uit de Verenigde Staten naar de Gemeenschap zijn uitgevoerd. Die formulering creëert derhalve een zekere onduidelijkheid tussen de door de communautaire wetgever aldus onder woorden gebrachte bedoeling en de uitdrukkelijke bewoordingen van voornoemd artikel 4, lid 2, volgens welke die rechten niet van toepassing zijn op producten waarvan kan worden aangetoond dat zij op de datum van inwerkingtreding van voornoemde verordening, dus volgens artikel 5 van deze verordening op 17 december 2003, reeds onderweg waren naar de Gemeenschap.

16 In dit verband zij om te beginnen eraan herinnerd dat de punten van de considerans van een gemeenschapshandeling geen bindende rechtskracht hebben en niet kunnen worden aangevoerd om van de bepalingen zelf van die handeling af te wijken, en evenmin om deze bepalingen uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de formulering ervan (zie met name arrest van 24 november 2005, Deutsches Milch-Kontor, C‑136/04, Jurispr. blz. I‑10095, punt 32 en aangehaalde rechtspraak).

17 Vervolgens zij vastgesteld dat noch uit de travaux préparatoires van verordening nr. 2193/2003 noch uit een vergelijking van de verschillende taalversies daarvan blijkt dat de formulering van artikel 4, lid 2, van deze verordening een fout bevat.

18 Ten slotte zij opgemerkt dat voornoemd artikel 4, lid 2, waarvan de formulering overigens aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, strookt met het bij verordening nr. 2193/2003 ingevoerde stelsel. Zoals de Commissie opmerkt, moeten de marktdeelnemers namelijk erop kunnen rekenen dat de bij deze verordening ingestelde aanvullende douanerechten niet van toepassing zijn op de producten die zij vóór de datum van bekendmaking en inwerkingtreding van deze verordening uit de Verenigde Staten naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd. Die verwachting is echter niet gerechtvaardigd met betrekking tot de producten die na voornoemde datum zijn uitgevoerd, voor zover de marktdeelnemers vanaf die datum konden weten dat aanvullende douanerechten overeenkomstig de bepalingen van voornoemde verordening zouden worden toegepast.

19 Gelet op het voorgaande kan artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003 niet met een beroep op punt 6 van de considerans daarvan worden uitgelegd in een zin die kennelijk in strijd is met de formulering van deze bepaling.

20 Bijgevolg moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2193/2003 conform de formulering ervan moet worden uitgelegd, te weten dat het aanvullende douanerecht niet van toepassing is op producten waarvan kan worden aangetoond dat zij op de datum waarop deze verordening in werking treedt, reeds onderweg waren naar de Gemeenschap en waarvan de bestemming niet kan worden gewijzigd.

Kosten

21 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 2193/2003 van de Raad van 8 december 2003 tot instelling van aanvullende douanerechten op bepaalde producten uit de Verenigde Staten van Amerika, moet conform de formulering ervan worden uitgelegd, te weten dat het aanvullende douanerecht niet van toepassing is op producten waarvan kan worden aangetoond dat zij op de datum waarop deze verordening in werking treedt, reeds onderweg waren naar de Gemeenschap en waarvan de bestemming niet kan worden gewijzigd.