Arrondisementsrechtbank Breda oordeelde op 4 februari 2009 over de waarde van een nagenoeg nieuwe auto voor de heffing van de BPM (zaak AWB08/3549).

A kocht een nieuwe auto. De auto werd kort, slechts anderhalve week, op Duits kenteken gezet en moest daarom als gebruikt worden aangemerkt. A koos ervoor om de BPM vast te stellen op basis van een taxatiewaarde. De douane bevond bij hertaxatie een hogere waarde. A ging in bezwaar en vervolgens in beroep.

De rechtbank oordeelde dat de auto, gelet ook op de verkoopprijs, vergeleken moest worden met een nieuwe auto. Er kon daarom geeen afschrijving op de waarde plaatsvinden. Het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3549

Uitspraakdatum: 4 februari 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],
eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.


De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 26 juni 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte van een bedrag van € 69.544 aan belastingen voor personenauto’s en motorrijwielen 1992 (BPM).


Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009 te Breda.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.


1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



2. Gronden

2.1. Belanghebbende exploiteert een onderneming op het gebied van in- en verkoop van exclusieve auto’s. Op 27 januari 2007 heeft [de heer] uit [woonplaats] een orderbevestiging ondertekend voor de aankoop van [de auto] van belanghebbende.
Op deze orderbevestiging staat onder meer vermeld:
“Merk: [de auto]
Type: [type]
Kleur: [kleur]
Bekleding: [bekleding]
Bouwjaar: Nieuw
Totaal Euro: 292.000,- incl. BPM/BTW”
Een kilometerstand staat niet vermeld.

2.2. Op 29 januari 2007 werd de auto getaxeerd door [taxateur], beëdigd taxateur te [woonplaats]. Volgens het taxatierapport was de kilometerstand op dat moment 179. Er wordt geen melding gemaakt van enige schade. Voor de auto is op 12 februari 2007 een Duits kenteken afgegeven op naam van [de heer] te [woonplaats]. Ter zitting heeft de gemachtigde namens belanghebbende verklaard dat registratie in Duitsland, voorafgaande aan het overbrengen van de auto naar Nederland, noodzakelijk was in verband met de door de producent aan de dealers gestelde eisen. Bij aangifteformulier van 21 februari 2007 is aangifte voor de BPM gedaan in verband met de registratie van de auto tot een bedrag aan verschuldigde BPM van € 56.124. Bij de aangifte is een kopie van eerdergenoemd taxatierapport gevoegd. De inspecteur heeft op 26 februari 2007 een hertaxatie doen plaatsvinden door [taxateur], register-taxateur [-] Motorvoertuigen. De kilometerstand was op dat moment 387, zoals volgt uit het taxatierapport. Voorts is rekening gehouden met een kras in het lakwerk op de rechterportier. Op verzoek van belanghebbende heeft op 9 maart 2007 een taxatie plaatsgevonden door drs. [taxateur], beëdigd taxateur. Het taxatierapport vermeld als kilometerstand circa 300 en een vermindering wegens schade van € 1.600.

2.3. Belanghebbende voldoet op 12 maart 2007 de, op basis van de hertaxatie door de inspecteur, berekende BPM van € 69.544. De belasting is berekend uitgaande van een cataloguswaarde inclusief BPM en omzetbelasting van € 283.373 en een vermindering van 10,01% op grond van artikel 10, tweede lid van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Op 2 april 2007 betaalt de koper voor de auto een bedrag van € 292.000 aan belanghebbende.

2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of de verschuldigde BPM tot het juiste bedrag is berekend.

2.5. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet BPM wordt de BPM berekend als percentage van de netto catalogusprijs van een personenauto. Hieronder moet worden verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting en BPM. Onder catalogusprijs moet, volgens artikel 9, vierde lid, eerste volzin van de Wet BPM worden verstaan de in Nederland door de importeur of fabrikant aan de wederverkopers kenbaar gemaakte prijs, die naar zijn inzicht bij de verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen.

2.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de catalogusprijs inclusief BTW en BPM
€ 283.373 bedraagt. De in dit bedrag begrepen BPM bedraagt € 73.847.

2.7.1. Artikel 10 van de Wet BPM luidt ten tijde van de aangifte, voorzover te dezen van belang, als volgt:
"1. Met betrekking tot gebruikte personenauto's, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto's wordt het bij de personenauto, het motorrijwiel of de bestelauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, na toepassing van artikel 9a, artikel 9b en artikel 9c, tweede lid berekend met inachtneming van een vermindering.
2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de belasting op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.
(…)
6. In afwijking van het tweede lid wordt de vermindering vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.
7. Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid.”

2.7.2. Artikel 8, vierde lid van de Uitvoeringsregeling BPM 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling) luidt ten tijde van de aangifte, voorzover te dezen van belang, als volgt:
“4. De opgaaf, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de wet, bestaat uit:
a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de verkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers aan particulieren in Nederland, onder overlegging van een kopie van de desbetreffende passage uit die koerslijst; of
b. een taxatierapport, opgemaakt ten hoogste een maand vóór het tijdstip waarop aan het motorrijtuig een kenteken wordt toegekend dan wel ten hoogste een maand vóór het tijdstip van aanvang van het gebruik met het motorrijtuig van de weg in Nederland, door een onafhankelijke, erkende taxateur aan de hand van een fysieke opname van het motorrijtuig in de staat waarin het op dat tijdstip verkeert, waaruit inzichtelijk en gedetailleerd de waarde blijkt bij verkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper aan een particulier in Nederland.”

2.8. Belanghebbende stelt dat sprake is van een gebruikt voertuig in de zin van de Wet BPM. Hij verwijst hiervoor naar de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, vergaderjaar 1992/1993, 22 868, nr. 3, blz. 44-45, waarin onder meer staat:
“In het zesde lid is vastgelegd wat onder de catalogusprijs van gebruikte personenauto’s en motorrijwielen moet worden verstaan. Gebruikte personenauto’s en motorrijwielen zijn die motorvoertuigen die al eens geregistreerd zijn geweest. Bij de registratie van gebruikte personenauto’s of motorrijwielen geldt als basis voor de heffing de historische catalogusprijs. Dat is de prijs die in Nederland geadviseerd werd op het moment dat het voertuig voor het eerst in gebruik is genomen, dat wil zeggen voor de eerste maal geregistreerd is. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen registratie in Nederland of in een ander land.”

2.9. Gelet op het onder 2.2 vermelde feit dat voor de auto een Duits kenteken is afgegeven, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebruikt voertuig in de zin van de Wet BPM.

2.10. Bij de totstandkoming van de wijziging van de Wet BPM per 1 februari 2007, wordt
in het Belastingplan 2007, Stb. 2006, 682, het volgende opgemerkt:
“Ingevolge artikel X, nieuw onderdeel C wordt artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM zodanig aangepast dat in beginsel voor gebruikte auto's wordt geheven naar de werkelijke afschrijving, uitgedrukt als percentage van de catalogusprijs inclusief BPM. Om deze afschrijving te berekenen wordt de catalogusprijs in nieuwstaat afgezet tegen de feitelijke consumentenprijs bij verkoop aan particulieren. Deze feitelijke waarde kan bijvoorbeeld worden vastgesteld aan de hand van in de handel gebruikelijke koerslijsten voor de consumentenprijs van tweedehands motorrijtuigen, waarbij ook rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld merk, type, uitvoering en kilometrage van het voertuig.”

2.11. Blijkens hetgeen werd vastgesteld onder 2.1 en 2.3 heeft belanghebbende de betreffende auto verkocht voor een bedrag van € 292.000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze feitelijk gerealiseerde prijs in beginsel te gelden als de feitelijke consumentenprijs van de auto, nu die prijs op de datum van de aanbieding ter registratie reeds bekend was, en tevens naderhand ook feitelijk door de afnemer van de auto werd betaald.
Belanghebbende heeft in dit verband ter zitting onweersproken gesteld dat die prijs mede kon worden gerealiseerd doordat na aflevering van de auto door hem nog accessoires aan de auto werden aangebracht, en tevens in verband met een door hem van de koper ingenomen auto. Belanghebbende heeft zijn stellingen cijfermatig niet nader onderbouwd. In de onder 2.1 bedoelde orderbevestiging wordt ook geen melding gemaakt van door belanghebbende nog aan te brengen accessoires. Nochtans komen deze stellingen de rechtbank, mede gelet op hetgeen werd vastgesteld onder 2.6, niet onaannemelijk voor, en nu deze door de inspecteur niet zijn weersproken, komt de rechtbank tot het oordeel dat de gerealiseerde verkoopprijs in deze situatie niet kan dienen als “feitelijke consumentenprijs” als bedoeld in 2.10.

2.12. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (o.m. HvJ EG 19 september 2002, Tulliassiamies en Antti Siilin,
C-101/00, V-N 2002/57.18) mag de ter registratie verschuldigde BPM niet meer bedragen dan het restant BPM dat nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde voertuigen (hierna: referentievoertuigen). Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de eigenschappen het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.

2.13. Naar het oordeel van de rechtbank komen de eigenschappen van de auto het meest overeen met die van nieuwe auto’s van hetzelfde merk en type. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking:
- dat op de opdrachtbevestiging de vermelding ‘nieuw’ stond en dat het, zoals belanghebbende ter zitting heeft verklaard, voor de koper van de auto geen beletsel was dat de auto eerst in Duitsland werd geregistreerd, noch dat die registratie in Duitsland - met de noodzaak waarvan de koper eerst na 27 januari 2007 bekend is geworden - voor de koper aanleiding is geweest om tot een aanpassing van de overeengekomen koopsom van de auto te komen. Klaarblijkelijk vormde het geringe aantal kilometers en het feit dat de auto enige tijd op Duits kenteken heeft gestaan, geen waardeverminderende factor. En,
- dat uit de onder 2.2 vastgestelde feiten kan worden afgeleid dat, voorafgaand aan de aangifte, met de auto uitsluitend is gereden in het kader van het vervullen van de verplichtingen waaraan moet zijn voldaan om de auto in Nederland te mogen gebruiken voor de doeleinden waarvoor deze gemaakt is.

2.14. De taxatierapporten worden door de rechtbank terzijde geschoven, nu deze niet uitgaan van vergelijking met een nieuwe auto van hetzelfde merk en type.

2.15. Nu belanghebbende geen beroep heeft gedaan op toepassing van de regeling in artikel 10, zesde lid van de Wet BPM, is de rechtbank op grond van hetgeen is vastgesteld onder 2.6 van oordeel dat de verschuldigde BPM € 73.847 zou moeten bedragen. Belanghebbende heeft een bedrag van € 69.544 aan BPM heeft voldaan, zodat de ter registratie verschuldigde BPM niet te hoog vastgesteld.

2.16. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskostenveroordeling

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2009 door mr. drs. M.G.J.M. van Kempen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.