LJN: BP7679, Rechtbank Rotterdam , 372476 / KG ZA 11-116
Datum uitspraak:11-03-2011
Datum publicatie:15-03-2011
Rechtsgebied:Civiel overig
Soort procedure:Kort geding
Inhoudsindicatiepheffen beslag; merkenrecht; non-communautaire transito goederen; géén toepassing vervaardigingsfictie.
Uitspraak RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak- / rolnummer: 372476 / KG ZA 11-116

Uitspraak: 11 maart 2011

VONNIS in kort geding in de zaak van:


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN CAEM INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Leiden,
eiseres,
advocaten mrs. G. van der Wal en M.C. van Heezik,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SPIRITS INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mrs. K.A.J. Bisschop en M.R.A. Poulie.


Partijen worden hierna aangeduid als “Van Caem” respectievelijk “SPI”.


1. Het verloop van het geding

1.1
De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- dagvaarding d.d. 15 februari 2011;
- pleitnotities en producties van mrs. Van der Wal en Van Heezik;
- pleitnotities en producties van mr. Bisschop en Poulie.

1.2
De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 24 februari 2010.


2. De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten:

2.1
Van Caem is importeur en exporteur van alcoholische dranken.


2.2
SPI en haar rechtsvoorgangers produceren en distribueren wodka, c.q. laten deze produceren en distribueren door derden. De door SPI geproduceerde c.q. in hun opdracht geproduceerde wodka wordt onder meer verhandeld onder het merk “Stolichnaya”. SPI is rechthebbende met betrekking tot diverse Benelux registraties van het woord- en beeldmerk “Stolichnaya”.

2.3
FKP Sojuzplodoimport is onder andere in Mongolië rechtmatig merkhouder van het merk “Stolichnaya Vodka”.

2.4
Itar Ltd. te Kaliningrad, Rusland (hierna: Itar) heeft op grond van een licentieovereenkomst met FKP Sojuzplodoimport het recht om “Stolichnaya” wodka te produceren en te exporte-ren.

2.5
Van Caem heeft van Itar een partij wodka gekocht. De flessen zijn voorzien van het merk “Stolichnaya”.

2.6
Op 27 december 2010 is de partij wodka door de douane onderschept in de havens van Rot-terdam. De douane heeft de vrijgave van de partij wodka opgeschort tot 21 januari 2011. Op die dag heeft SPI na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter conservatoir der-denbeslag tot afgifte doen leggen van op de container met nummer ECMU 2037794, zich eerst bevindende in de Douane Controle Loods op de Maasvlakte te Rotterdam.

2.7
Op heeft SPI op 25 januari 2011, na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter, andermaal voormelde container c.q. de partij wodka die zich op dat moment op de Maas-vlakte te Rotterdam bevond bij ECT Delta Terminal B.V. in conservatoir beslag tot afgifte laten nemen (hierna: het beslag).


3. Het geschil

3.1
De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:
1. de opheffing van het beslag te bevelen;
2. SPI te veroordelen tot betaling van de volledige kosten van dit geding.

3.2
Op de stellingen van partijen zal hierna bij de beoordeling worden ingegaan.


4. De beoordeling

4.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 705 Rv ligt het weliswaar in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de kort ge-ding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is, maar een bewijslastverdeling in eigenlijke zin is niet aan de or-de, terwijl het ook gaat om een afweging van de wederzijdse belangen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijs-materiaal is onderbouwd. De vordering van Van Caem dient dan ook binnen dit toetsingska-der beoordeeld te worden.

4.2
SPI heeft aan haar beslagverzoek ten grondslag gelegd dat de partij wodka onder meer op grond van artikel 2.20 lid 1 sub a van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (hierna: BVIE) inbreuk maakt op haar merkrechten en zij derhalve recht en belang heeft om de inbreukmakende partij wodka als de hare op te vorderen, hetzij de vernietiging of on-bruikbaarmaking daarvan te vorderen.

4.3
Volgens Van Caem ontbeert SPI een deugdelijke grondslag voor het gevraagde beslagverlof en is het verlof ten onrechte verleend, aangezien de partij wodka, die de status van transit-goederen (T1) heeft, op geen enkele wijze inbreuk maakt op de door SPI gestelde merkrech-ten.

4.4
SPI betwist dat sprake is van transitgoederen en wanneer dat wel mocht komen vast te staan, dan geldt volgens SPI op grond van in Nederland heersende jurisprudentie inzake de ver-vaardigingsfictie, dat ook in dat geval Van Caem inbreuk maakt op de merkrechten van SPI.

transitgoederen?

4.5.1
De voorzieningenrechter acht het voorshands aannemelijk dat de partij wodka transitgoede-ren betreft die zijn bestemd voor de ontvanger/geadresseerde in Mongolië. Hij baseert zich daarbij op:
- de factuur die is overgelegd als productie 4 bij dagvaarding;
- de e-mail d.d. 7 februari 2011 die is overgelegd als productie 7 bij dagvaarding, met daarbij een afschrift van het in dat kader door de douane, rederijen, cargadoors en expe-diteurs gehanteerde elektronische systeem, waaruit de status van de onderhavige partij wodka blijkt;
- de toelichting bij transitaangifte die is overgelegd als productie 8 bij dagvaarding;
- het zeer gedetailleerde relaas zijdens Van Caem ter zitting over de gang van zaken bij transitgoederen;
- de verklaring van de expediteur Loendersloot Internationale Espeditie te Roosendaal (hierna: Loendersloot) die is overgelegd als productie 9 bij dagvaarding:
“Hierbij bevestigen wij dat wij de expliciete instructie hebben mogen ontvangen van onze prin-cipalen (Van Caem Leiden) om onderstaande container in transito naar onze loods te halen:

Betreft: verscheping
m/v Cma-Cgm Carmen
b/1 RU1289668
Cont ECMU2037794
POL Kaliningrad
POD Rotterdam

De container arriveerde bij aankomst in Rotterdam in Transito en om vervoer vanuit de haven naar ons bonded Warehouse te bewerkstelligen dienen we daar overeenkomst Transit documenten voor uit te stellen.

Verder hebben wij de instructie van Van Caem gekregen om de containers na aankomst in onze loods in Opslag te houden onder transito.”

Aannemelijk is eveneens dat enkel door (het moment van de) beslaglegging, een formeel stuk waar de transitostatus op staat vermeld nog niet voorhanden is.

4.5.2
Het is aan de merkhouder om aan te tonen ofwel dat van zijn merk voorziene niet-communautaire goederen in het vrije verkeer zijn gebracht ofwel dat deze goederen te koop worden aangeboden of worden verkocht en daardoor noodzakelijkerwijs in de EU in de handel worden gebracht (vgl. Hof van Justitie van de EU d.d. 18 oktober 2005 C-405/03). Daarvan is niet gebleken.
Op genoemde factuur staat immers onder het kopje “FINAL DESTINATION OF GOODS” de naam, het adres en het land van de uiteindelijke ontvanger/geadresseerde van de partij wodka, zijnde Bishrelt Trade LLC in Mongolië, en uit genoemde stukken in onderlinge sa-menhang bezien kan worden afgeleid dat de partij wodka een “in transito” status heeft. Van Caem heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de partij wodka thans wacht om door de expediteur, Loendersloot Internationale Espeditie te Roosendaal, in transito te worden opge-slagen, die vervolgens in het elektronische systeem de gegevens verder zal invoeren, waar-onder het vakje “In transit to”. Loendersloot heeft dat ook schriftelijk verklaard.

4.5.3
Dat de factuur en het door de douane verstrekte afschrift geen betrekking zouden hebben op de onderhavige partij wodka, zoals nog is aangevoerd door SPI onder andere omdat in het afschrift in het vakje “Port of loading” is ingevuld “Hamburg (DE)”, terwijl de partij wodka uit Kaliningrad zou komen, is niet aannemelijk geworden. De factuur komt qua aantallen en inhoud exact overeen met de partij wodka waarop SPI beslag heeft gelegd. Voorts is zijdens Van Caem ter terechtzitting uitgelegd dat de partij wodka een tussenstop heeft gemaakt in Hamburg en blijkt genoegzaam - onder meer omdat het een afschrift van de douane betreft en omdat het vakje “Arrival” is ingevuld met “18 december 2010”, de dag waarop de partij wodka is aangekomen in de haven van Rotterdam - dat dit afschrift terugslaat op de besla-gen partij wodka.

4.5.4
Tegen deze achtergrond is de blote betwisting van SPI dat de partij wodka bestemd is voor een ontvanger/geadresseerde in Mongolië en haar eveneens blote stelling dat de partij wod-ka een bestemming heeft binnen de Europese Economische Ruimte onvoldoende om tot het voorshands oordeel te komen dat de bestemming van de partij wodka niet Mongolië is. Ook de niet onderbouwde stelling van SPI dat Van Caem de transitstatus van partij wodka zal (laten) wijzigen naar “invoer” geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om niet uit te gaan van de feitelijke situatie als thans aan de orde.

4.5.5
Het enkele feit dat de partij wodka zich in een container bevindt die is geadresseerd aan een partij in Nederland, maakt niet dat daaruit zonder meer volgt dat die partij wodka is bestemd om in Nederland te worden ingevoerd, zoals SPI nog lijkt aan te voeren, daarbij verwijzend naar een uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 2 februari 2011. Anders dan in de onderhavige zaak ging het in die procedure onder andere om de vraag of producten, die zich bevonden in een door de douane tegengehouden container, door eiser (de merkhouder) of door gedaagde (de mogelijke inbreukmaker) waren ingevoerd. Omdat de container waarin zich de inbreukmakende producten bevonden was bestemd voor gedaagde, heeft de recht-bank in die procedure voorshands aannemelijk geacht dat gedaagde deze producten had in-gevoerd en niet eiser, zoals gedaagde had aangevoerd. Dit betreft echter een heel andere kwestie dan de onderhavige. De vraag of de producten al dan niet transitgoederen betroffen, was in die procedure niet aan de orde.

vervaardigingsfictie?

4.6
Ook wanneer er vanuit moet worden gegaan dat de partij wodka transitgoederen betreft, is er volgens SPI onvoldoende aanleiding om over te gaan tot opheffing van het beslag. SPI doet daarbij een beroep op de volgens haar in Nederland heersende jurisprudentie inzake de vervaardigingsfictie die volgt uit de nieuwe Anti-piraterijverordening (Nr. 1383/2003 hier-na: de nieuwe APV). De vervaardigingsfictie wordt toegepast indien goederen van een niet EU-lidstaat worden doorgevoerd naar een andere niet EU-lidstaat, maar de goederen zich daarvoor tijdelijk binnen de EU bevinden (transitgoederen). Volgens de vervaardigingsfictie moet in dat geval worden uitgegaan van de fictie dat de inbreukmakende goederen vervaar-digd zijn in het land van onderschepping en hoeft niet te worden bewezen dat die goederen in de EU in de handel zullen worden gebracht. Dit brengt mee dat er naar nationaal recht sprake is van inbreuk op de merkrechten van SPI. Immers is - aldus nog steeds SPI - op de bij het beslagrekest overgelegde afbeeldingen duidelijk te zien dat de goederen in de partij wodka voorzien zijn van het merk “Stolichnaya” en dat het flessen wodka betreft. Dit levert op grond van artikel 2.20 sub (a) BVIE een merkinbreuk op naar nationaal recht.

4.7
Volgens Van Caem kan een beroep op de vervaardigingsfictie SPI niet baten, aangezien de vervaardigingsfictie niet (langer) volgt uit de nieuwe APV.
Voorts schaart Van Caem zich achter de conclusie van advocaat-generaal P. Cruz Villalón in de zaken voor het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) C-446/09 (Philips/Lucheng) en C-495/09 (Nokia/Her Majesty’s Commissioners of Revenu and Customs), dat de lijn uit-gezet in de arresten C-281/105 (Montex/Diesel) en C-405/03 (Class International) van toe-passing is op de beoordeling van de status van transitgoederen. Uit deze arresten volgt vol-gens Van Caem dat transitohandel (opslag en doorvoer van transitogoederen) over het grondgebied van de EU niet inbreukmakend is, noch kan zijn, omdat transitohandel geen gebruik van het merk in het economisch verkeer in de EU oplevert.

4.8.1
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.8.2
In de zaak C-405/03 (Class International) d.d. 18 oktober 2005 ging het, net als in de onder-havige procedure, ook om de fase dat de houder van het intellectuele eigendomsrecht waar-op beweerdelijk inbreuk wordt gemaakt, zich na het optreden van de Belgische douaneauto-riteiten inzake goederen van dat type in die situatie, tot de rechter heeft gewend met het ver-zoek voor recht te verklaren dat er daadwerkelijk sprake is van deze inbreuk, met de daaraan verbonden consequenties.
In dit arrest is - in antwoord op prejudiciële vragen in een soortgelijke zaak waarin, anders dan in de onderhavige zaak, overigens niet aannemelijk was geworden dat er bij binnen-komst op Nederlands grondgebied en ten tijde van de beslaglegging voor de goederen reeds een koper was - bepaald dat zolang niet voor de mogelijkheid van het in het vrije verkeer brengen van de goederen wordt gekozen en wordt voldaan aan de voorwaarden voor de douanebestemming waaronder de goederen zijn geplaatst, het enkele fysieke binnenbrengen van goederen op het grondgebied van de EU niet kan worden aangemerkt als “invoeren” in de zin van artikel 5, lid 3, sub c, van richtlijn 89/104 en artikel 9, lid 2, sub c, van verorde-ning 40/94 en impliceert dit geen “gebruik van het merk in het economisch verkeer” in de zin van lid 1 van elk van deze twee bepalingen. De merkhouder kan zich hiertegen derhalve niet op grond van deze bepalingen verzetten, noch verlangen dat reeds een eindbestemming in een derde land is vastgelegd, in voorkomend geval krachtens een koopovereenkomst.
De begrippen “aanbieden” en “in de handel brengen” van goederen in artikel 5, lid 3, sub b, van de richtlijn en artikel 9, lid 2, sub b, van de verordening kunnen mede omvatten het te koop aanbieden respectievelijk verkopen van oorspronkelijke merkgoederen die de douanes-tatus van niet-communautaire goederen hebben, wanneer de goederen te koop worden aan-geboden en/of verkocht terwijl de goederen zijn geplaatst onder de regeling extern douane-vervoer of de regeling douane-entrepot. De merkhouder kan zich ertegen verzetten dat der-gelijke goederen te koop worden aangeboden of worden verkocht, wanneer dit noodzakelij-kerwijs impliceert dat zij in de EU in de handel worden gebracht, aldus het Hof van Justitie van de EU.

4.8.3
In de zaak C-281/05 (Montex/Diesel) d.d. 9 november 2006 heeft het HvJ voornoemd standpunt herhaald. Ook in dit arrest oordeelt het HvJ dat artikel 5, leden 1 en 3 van de Eer-ste richtlijn (89/104) betreffende merken aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een merk de doorvoer door een lidstaat van waren waarop het merk is aangebracht en die onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst met als bestemming een andere lid-staat waarin een dergelijke bescherming niet bestaat, slechts kan verbieden wanneer hij be-wijst dat een derde ten aanzien van deze waren, terwijl zij onder de regeling extern douane-vervoer zijn geplaatst, een handeling verricht die noodzakelijkerwijs impliceert dat zij in deze lidstaat van doorvoer in de handel worden gebracht. Het HvJ vervolgt dat het dienaan-gaande in beginsel irrelevant is of de voor een lidstaat bestemde goederen afkomstig zijn uit een geassocieerde staat dan wel uit een derde staat, en of zij in het land van oorsprong rechtmatig dan wel in strijd met een aldaar bestaand merkrecht van de merkhouder zijn ver-vaardigd.

4.8.4
In twee andere (lopende) zaken is door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en de Court of Appeal of England and Wales aan het HvJ gevraagd om een prejudiciële beslissing.
In de eerste zaak (C-446/09) verzoekt eiseres, Philips, in het hoofdgeding, net als SPI, om binnen de juridische fictie van extern douanevervoer (fictie omdat alles verloopt als waren de niet-communautaire goederen niet het grondgebied van een lidstaat binnengekomen) ook de vervaardigingsfictie toe te passen, zodat niet bewezen hoeft te worden dat die goederen in de Unie in de handel zullen worden gebracht. De verwijzende rechter vraag het HvJ of artikel 6 lid 2 sub b van de oude Anti-piraterijverordening (Nr. 3295/94) een regel van geü-niformeerd gemeenschapsrecht vormt, die zich opdringt aan de rechtbank van de lidstaat die overeenkomstig artikel 7 van die verordening gevat werd door de houder van het recht, en of deze regel inhoudt dat de rechtbank bij haar beoordeling geen rekening mag houden met het statuut van tijdelijke opslag / het transitstatuut en de fictie moet toepassen dat de goederen vervaardigd werden in diezelfde lidstaat, en vervolgens met toepassing van het recht van diezelfde lidstaat moet oordelen of zodanige goederen inbreuk plegen op het intellectuele recht in kwestie.
In de tweede zaak (C-495/09) hebben de Britse douaneautoriteiten een verzoek van de merkhouder om een aantal waarschijnlijk nagemaakte goederen vast te houden, afgewezen op grond dat hun bestemming Colombia was en er geen aanwijzingen bestonden dat zij op de markt van de Europese Unie zouden worden gebracht. De verwijzende rechter vraagt het HvJ of van een gemeenschapsmerk voorziene niet-communautaire goederen die in een lid-staat onder douanetoezicht staan en in doorvoer zijn van een derde staat naar een andere derde staat, “namaakgoederen” zijn in de zin van artikel 2, lid 1, sub a van de nieuwe APV, wanneer er geen aanwijzingen zijn dat deze goederen in de EU op de markt zullen worden gebracht, hetzij overeenkomstig een de douaneprocedure hetzij doordat zij daar illegaal worden binnengebracht.

4.8.5
Volgens Advocaat-Generaal P. Cruz Villalón (hierna: de AG) in zijn conclusie van 3 februa-ri 2011 in de eerste zaak, kan de op de vervaardigingsfictie gebaseerde uitleg van Philips niet uit de tekst van de ter ondersteuning ingeroepen artikelen worden afgeleid, valt zij bui-ten de doelstellingen van de nieuwe APV en is zij in strijd met de heersende rechtspraak ter zake.

In de eerste zaak geeft de AG het HvJ in overweging om op de vraag van de Rechtbank te antwoorden als volgt:

“Artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 3295/94 kan niet in die zin worden uitgelegd dat het (in deze zaak rechterlijke) orgaan van de lidstaat waartoe de houder van een intellectueel eigendoms-recht zich heeft gewend overeenkomstig artikel 7 van de verordening, mag voorbijgaan aan het sta-tuut van tijdelijke opslag of het transit-statuut van de betrokken goederen, en derhalve ook niet aldus, dat het de fictie mag toepassen dat die goederen in diezelfde lidstaat zijn vervaardigd, om vervolgens met toepassing van het recht van diezelfde lidstaat te kunnen beslissen of die goederen inbreuk maken op het intellectueel eigendomsrecht in kwestie.”

In de tweede zaak geeft de AG het HvJ in overweging om op de vraag van de Court of Ap-peal of England and Wales te antwoorden als volgt:

“Van een gemeenschapsmerk voorziene niet-communautaire goederen die in een lidstaat onder dou-anetoezicht staan en in doorvoer zijn vanuit een derde staat naar een andere derde staat, kunnen door de betrokken douaneautoriteiten worden vastgehouden, mits er voldoende aanwijzingen zijn om te vermoeden dat het namaakgoederen zijn, en inzonderheid dat zij op de markt van de Europese Unie zullen worden gebracht, hetzij overeenkomstig een douaneprocedure, hetzij doordat zij daar illegaal worden binnengebracht.”

4.8.6
Gelet op de onder 4.8.2 en 4.8.3 genoemde arresten mag ervan worden uitgegaan dat er een gerede mogelijkheid bestaat dat het HvJ de onder 4.8.5 genoemde conclusie van de AG zal volgen, in die zin dat de vervaardigingsfictie, in een situatie als de onderhavige, geen toe-passing vindt en, in het verlengde daarvan, dat de bodemrechter in het onderhavige geschil tussen Van Caem en SPI, in de lijn van voornoemde arresten zal oordelen dat geen sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 sub (a) BVIE. De partij wodka is immers be-stemd voor Mongolië en het enkele fysieke binnenbrengen van goederen op het grondgebied van de EU kan voorshands niet worden aangemerkt als “gebruik van een teken” als bedoeld in artikel 2.20 sub (a) BVIE.

4.8.7
Het door SPI aangehaalde vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 20 januari 2010 maakt dit oordeel niet anders. Dit vonnis betreft een vonnis in een bodemzaak. Ten tijde van de uitspraak van dat vonnis was de conclusie van de AG nog niet voorhanden en heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage ervoor gekozen om te wachten op de antwoorden van het HvJ op de onder 4.8.4 genoemde prejudiciële vragen, welke antwoorden naar schatting door par-tijen thans nog 6 maanden op zich laten wachten. Deze keuze van de rechtbank te
’s-Gravenhage ligt in een bodemzaak, waar de beoordeling van een geschil immers ten gronde moet plaatsvinden, ook in de rede. Thans moet echter in kort geding worden beoor-deeld of summier van de ondeugdelijkheid van de aan het beslag ten grondslag gelegde vor-dering is gebleken c.q. of Van Caem zich de door het beslag ontstane situatie met alle kosten van dien, gedurende de looptijd van een bodemprocedure moet laten welgevallen. In die zin spelen ook de wederzijdse belangen ten aanzien van het opheffen of voortduren van het be-slag een rol. Dit zijn andere afwegingen dan in een bodemgeschil. Anders dan de voorzie-ningenrechter in het door SPI aangehaalde vonnis van de voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage van 18 juli 2008 (zaaknummer 311378 / KG ZA 08-617, B9, 6499) in r.o. 4.13 heeft geoordeeld en door SPI is bepleit, rechtvaardigt een belangenafweging in het onderha-vige kort geding, mede in het licht van hetgeen onder 4.8.4 tot en met 4.8.6 is overwogen, om niet de status quo te handhaven en niet af te wachten op de antwoorden van het HvJ op betreffende prejudiciële vragen. Gelet ook op de kosten die handhaving van het beslag voor Van Caem met zich meebrengen, heeft Van Caem belang bij een oordeel van de voorzienin-genrechter omtrent de vraag of het beslag door SPI op deugdelijke gronden is gelegd en bij spoedige opheffing van het beslag. Mocht de bodemrechter bovendien later oordelen dat de partij wodka wel inbreuk maakt op de merkrechten van SPI, dan kan SPI jegens Van Caem aanspraak maken op schadevergoeding.

4.9
De slotsom is dat naar voorlopig oordeel sprake is van transitgoederen die geen inbreuk ma-ken op de merkrechten van SPI. Daarmee is summierlijk van de ondeugdelijkheid van de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering - welke vordering immers was gebaseerd op inbreuk op de merkrechten van SPI - gebleken. Het belang van Van Caem bij opheffing van het beslag prevaleert bovendien boven het belang van SPI bij handhaving daarvan. De vor-dering tot opheffing van het beslag zal derhalve worden toegewezen.

4.10
De gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut zal worden afgewezen, nu de wet een dergelijke mogelijkheid niet meer kent. Bovendien is voor eiseres direct na afgifte van dit vonnis een grosse daarvan beschikbaar.
De gevorderde uitvoerbaarverklaring op alle dagen en uren zal eveneens worden afgewezen, nu eiseres niet heeft gesteld welk belang zij daarbij heeft.

4.11
SPI zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, welke op basis van de door Van Caem ter zitting overgelegde, en door SPI niet betwiste, specifica-tie wordt begroot op € 12.847,-.



5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

heft op het onder 2.6 en 2.7 bedoelde beslag op de container met nummer ECMU 2037794 met daarin de partij wodka, zich bevindende op het perceel Europaweg 875 te Maasvlakte Rotterdam bij ECT Delta Terminal B.V.;

veroordeelt SPI in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Caem bepaald op € 644,31 (griffierecht € 568 + 1 x deurwaarderskosten € 76,31) aan ver-schotten en op € 12.847,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Bouchla, griffier.





Uitgesproken in het openbaar.
bron rechtspraak.nl