ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

1 december 2011 (*)

„Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bestrijding van binnenbrengen in de Unie van namaakgoederen en door piraterij verkregen goederen – Verordeningen (EG) nrs. 3295/94 en 1383/2003 – Douane-entrepot en extern douanevervoer van uit derde landen afkomstige goederen die imitaties of kopieën zijn van in de Unie intellectuele-eigendomsrechtelijk beschermde waren – Optreden van autoriteiten van lidstaten – Voorwaarden”

In de gevoegde zaken C‑446/09 en C‑495/09,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG en artikel 267 VWEU, ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) (C‑446/09) en de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) (C‑495/09) bij beslissingen van 4 respectievelijk 26 november 2009, ingekomen bij het Hof op 17 november respectievelijk 2 december 2009, in de procedures

Koninklijke Philips Electronics NV (C‑446/09)

tegen

Lucheng Meijing Industrial Company Ltd,

Far East Sourcing Ltd,

Röhlig Hong Kong Ltd,

Röhlig Belgium NV,

en

Nokia Corporation (C‑495/09)

tegen

Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs,

in tegenwoordigheid van:

International Trademark Association,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, M. Ilešič (rapporteur), E. Levits en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzittingen van 18 november 2010,

gelet op de opmerkingen van:

– Koninklijke Philips Electronics NV, vertegenwoordigd door C. De Meyer en C. Gommers, advocaten,

– Far East Sourcing Ltd, vertegenwoordigd door A. Kegels, advocaat,

– Nokia Corporation, vertegenwoordigd door J. Turner, QC, geïnstrueerd door A. Rajendra, solicitor,

– International Trademark Association, vertegenwoordigd door N. Saunders, barrister, geïnstrueerd door M. Harris en A. Carboni, solicitors,

– de Belgische regering (C‑446/09), vertegenwoordigd door M. Jacobs en J.‑C. Halleux als gemachtigden,

– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde, bijgestaan door T. de la Mare, barrister,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en K. Havlíčková als gemachtigden,

– de Franse regering (C‑495/09), vertegenwoordigd door B. Beaupère-Manokha als gemachtigde,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio (C‑446/09) en W. Ferrante (C‑495/09), avvocati dello Stato,

– de Poolse regering (C‑495/09), vertegenwoordigd door M. Szpunar, M. Laszuk en E. Gromnicka als gemachtigden,

– de Portugese regering (C‑495/09), vertegenwoordigd door L. Fernandes en I. Vieira Lopes als gemachtigden,

– de Finse regering (C‑495/09), vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en B.‑R. Killmann (C‑446/09) en door laatstgenoemde en R. Lyal (C‑495/09) als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 februari 2011,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 houdende vaststelling van een aantal maatregelen betreffende het binnenbrengen in de Gemeenschap alsmede de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap, van goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten (PB L 341, blz. 8), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 241/1999 van de Raad van 25 januari 1999 (PB L 27, blz. 1), alsmede van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (PB L 196, blz. 7).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van een geding tussen Koninklijke Philips Electronics NV (hierna: „Philips”) enerzijds en Lucheng Meijing Industrial Company Ltd, gevestigd te Wenzhou (China) (hierna: „Lucheng”), Far East Sourcing Ltd, gevestigd te Hong Kong (China) (hierna: „Far East Sourcing”), Röhlig Hong Kong Ltd en Röhlig Belgium NV (hierna gezamenlijk: „Röhlig”) anderzijds over het binnenbrengen in het douanegebied van de Europese Unie van goederen waarvan wordt gesteld dat zij inbreuk maken op modellen en auteursrechten waarvan Philips houder is (C‑446/09), en in het kader van een geding tussen Nokia Corporation (hierna: „Nokia”) en Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs (douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk; hierna: „Commissioners”) over het binnenbrengen in dit douanegebied van goederen waarvan wordt gesteld dat zij inbreuk maken op een merk waarvan Nokia houder is (C‑495/09).

Toepasselijke bepalingen

Douanewetboek

3 De basisregels van de Unie inzake douane die waren vervat in verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zijn ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1).

4 Verordening nr. 450/2008 is op 24 juni 2008 in werking getreden voor de bepalingen waarbij bevoegdheid tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen wordt toegekend, en de inwerkingtreding van de overige bepalingen van deze verordening is vastgesteld op ten vroegste 24 juni 2009 en ten laatste 24 juni 2013. Gelet op de datum van de feiten in de hoofdgedingen zijn bijgevolg de regels van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd, wat zaak C‑446/09 betreft bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17), en wat zaak C‑495/09 betreft bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB L 117, blz. 13) (hierna: „douanewetboek”), van toepassing op de hoofdgedingen.

5 Artikel 4 van het douanewetboek bepaalt:

„In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:

[...]

15. douanebestemming van goederen:

a) plaatsing van goederen onder een douaneregeling;

b) binnenbrengen van goederen in een vrije zone of in een vrij entrepot;

c) wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap;

d) vernietiging van goederen;

e) afstaan van goederen aan de Schatkist;

16. douaneregeling:

a) in het vrije verkeer brengen;

b) douanevervoer;

c) douane-entrepot;

d) actieve veredeling;

e) behandeling onder douanetoezicht;

f) tijdelijke invoer;

g) passieve veredeling;

h) uitvoer;

[...]

20. vrijgave van goederen: terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;

[...]”

6 Artikel 37 van hetzelfde wetboek bepaalt:

„1. De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. [...]

2. Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft [...], tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd [...].”

7 De artikelen 48 tot en met 50 van het douanewetboek luiden:

„Artikel 48

De bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen moeten een voor die goederen toegestane douanebestemming krijgen.

Artikel 49

1. Indien voor de goederen een summiere aangifte is gedaan, dienen de formaliteiten te worden vervuld om deze goederen een douanebestemming te geven binnen de volgende termijnen:

a) vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die over zee zijn aangevoerd;

b) twintig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die anders dan over zee zijn aangevoerd;

[...]

Artikel 50

De bij de douane aangebrachte goederen hebben, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag. [...]”

8 Artikel 56, eerste volzin, van het douanewetboek bepaalt:

„Indien de omstandigheden zulks vereisen, kunnen de douaneautoriteiten de bij de douane aangebrachte goederen doen vernietigen.”

9 In artikel 58 van dit wetboek heet het:

„1. Behoudens andersluidende bepalingen kunnen goederen [...] te allen tijde onder de vastgestelde voorwaarden een douanebestemming krijgen.

Lid 1 vormt geen beletsel voor de toepassing van verboden of beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom.”

10 In artikel 59, lid 1, van dit wetboek wordt gepreciseerd dat „[v]oor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, [...] een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling [moet] worden gedaan”.

11 Artikel 75 van het douanewetboek bepaalt:

„Alle nodige maatregelen, waaronder verbeurdverklaring en verkoop, worden genomen om de situatie te regelen van goederen die:

a) niet konden worden vrijgegeven:

[...]

– hetzij omdat de bescheiden die vereist zijn voor de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor deze werden aangegeven, niet werden overgelegd;

[...]

– hetzij omdat zij onderworpen zijn aan verbods- of beperkende maatregelen;

[...]”

12 Artikel 84, lid 1, sub a, van dit wetboek bepaalt:

„Indien in de artikelen 85 tot en met 90

a) de term ,schorsingsregeling’ wordt gebruikt, heeft deze in het geval van niet-communautaire goederen betrekking op de volgende regelingen:

– extern douanevervoer,

– douane-entrepot,

– actieve veredeling [...],

– behandeling onder douanetoezicht,

en

– tijdelijke invoer”.

13 Artikel 91, lid 1, van dit wetboek luidt als volgt:

„De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:

a) van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;

[...]”

14 Artikel 92 van dit wetboek luidt:

„1. De regeling extern douanevervoer eindigt en de verplichtingen van het subject zijn nagekomen wanneer de onder de regeling geplaatste goederen samen met de vereiste documenten bij de douane worden aangebracht op het douanekantoor van bestemming overeenkomstig de bepalingen van de betrokken regeling.

2. De douaneautoriteiten zuiveren de regeling extern douanevervoer wanneer zij op grond van een vergelijking van de gegevens van het douanekantoor van vertrek met die van het douanekantoor van bestemming kunnen vaststellen dat de regeling naar behoren beëindigd is.”

15 Artikel 98, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:

„Onder het stelsel van douane-entrepots kunnen in een douane-entrepot worden opgeslagen:

a) niet-communautaire goederen, zonder dat deze aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;

[...]”

Verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003

16 Verordening nr. 3295/94 werd met ingang van 1 juli 2004 ingetrokken bij verordening nr. 1383/2003. Gelet op de datum van de feiten valt het hoofdgeding in zaak C‑446/09 nog steeds onder de regeling van verordening nr. 3295/94, zoals gewijzigd bij verordening nr. 241/1999. Het hoofdgeding in zaak C‑495/09 valt daarentegen onder de regeling van verordening nr. 1383/2003.

17 In de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3295/94 wordt verklaard:

„Overwegende dat het in de handel brengen van nagemaakte en van door piraterij verkregen goederen de fabrikanten en handelaars die de wet eerbiedigen, alsook de houders van de auteursrechten en de naburige rechten, sterk benadeelt en de consumenten misleidt; dat het op de markt brengen van dergelijke goederen zoveel mogelijk dient te worden verhinderd en dat daartoe maatregelen dienen te worden genomen waarmee deze onwettige activiteit doeltreffend kan worden bestreden zonder dat evenwel de vrijheid van de rechtmatige handel wordt beknot; [...]”

18 In de punten 2 en 3 van de considerans van verordening nr. 1383/2003 wordt overwogen:

„(2) De handel in [...] goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, berokkent [...] houders van rechten aanzienlijke schade, misleidt de consument en brengt in sommige gevallen zijn gezondheid en veiligheid in gevaar. Dergelijke goederen moeten zoveel mogelijk uit de handel worden gehouden en er moeten maatregelen worden getroffen [...] zonder de vrijheid van het legitieme handelsverkeer in het gedrang te brengen. [...]

(3) Wanneer namaakgoederen of door piraterij verkregen goederen en, in het algemeen, goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten van oorsprong of van herkomst zijn uit derde landen, moet het binnenbrengen van dergelijke goederen in het douanegebied van de Gemeenschap, inclusief overlading, vrijgave voor het vrije verkeer in de Gemeenschap, plaatsing onder een schorsingsregeling en binnenkomst in een vrije zone of vrij entrepot, worden verboden en moet in een procedure worden voorzien die de douaneautoriteiten de mogelijkheid geeft dit verbod zo doeltreffend mogelijk te handhaven.”

19 Artikel 1 van verordening nr. 1383/2003 bepaalt:

„1. Deze verordening stelt de voorwaarden vast waaronder de douaneautoriteiten kunnen optreden wanneer er een vermoeden is dat bepaalde goederen inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, met name wanneer zij:

a) voor het vrije verkeer, voor uitvoer of voor wederuitvoer worden aangegeven [...];

b) worden aangetroffen bij een controle van goederen die het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten overeenkomstig de artikelen 37 en 183 van [het douanewetboek], onder een schorsingsregeling zijn geplaatst in de zin van artikel 84, lid 1, sub a, van [dit wetboek], na voorafgaande kennisgeving wederuitgevoerd worden [...] of in een vrije zone of een vrij entrepot worden opgeslagen [....].

2. Deze verordening stelt tevens de maatregelen vast die de bevoegde autoriteiten moeten nemen wanneer wordt vastgesteld dat de in lid 1 bedoelde goederen inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten.”

20 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3295/94, zoals gewijzigd bij verordening nr. 241/1999 (hierna: „verordening nr. 3295/94”), zoals van toepassing ten tijde van de feiten in het hoofdgeding in zaak C‑446/09, bepaalde in wezen hetzelfde als artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1383/2003.

21 Ingevolge artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1383/2003 dient onder „goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht” te worden verstaan:

„a) ,namaakgoederen’ namelijk:

i) goederen [...] waarop zonder toestemming een [merk] is aangebracht dat identiek is aan of daarvan niet wezenlijk kan worden onderscheiden van het geldig geregistreerde [merk] voor dergelijke goederen, en die zodoende, volgens de communautaire wetgeving in verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 betreffende het gemeenschapsmerk [(PB 1994, L 11, blz. 1)] of de wetgeving van de lidstaat waar het verzoek om optreden van de douaneautoriteiten wordt ingediend, inbreuk maken op de rechten van de houder van het betrokken merk;

[...]

b) ,door piraterij verkregen goederen’ namelijk: goederen die kopieën zijn of bevatten die zijn vervaardigd zonder toestemming van hetzij de houder van een al dan niet overeenkomstig het nationale recht geregistreerd auteursrecht of naburig recht dan wel recht inzake tekeningen of modellen [...], wanneer de vervaardiging van deze kopieën volgens verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen [(PB 2002, L 3, blz. 1)] of de wetgeving van de lidstaat waar het verzoek om optreden van de douane wordt ingediend, inbreuk maakt op het betrokken recht;

c) goederen die in de lidstaat waar het verzoek om optreden van de douane wordt ingediend, inbreuk maken op:

i) een octrooi waarop de wetgeving van die lidstaat van toepassing is;

ii) een aanvullend beschermingscertificaat [...];

iii) een nationaal kwekersrecht [...];

iv) benamingen van oorsprong of geografische aanduidingen [...];

v) geografische benamingen [...].”

22 Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3295/94 bepaalde in wezen hetzelfde als artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1383/2003.

23 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1383/2003 luidt:

„In elke lidstaat kan de houder van het recht de bevoegde douanedienst schriftelijk om optreden van de douaneautoriteiten verzoeken wanneer goederen zich in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde omstandigheden bevinden (verzoek om optreden).”

24 Artikel 4, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Wanneer een optreden van de douaneautoriteiten in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde situaties, dat plaatsvindt voordat de houder van het recht een verzoek heeft ingediend of een dergelijk verzoek is ingewilligd, voldoende aanwijzingen oplevert dat bepaalde goederen inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, kunnen de douaneautoriteiten de vrijgave opschorten of de goederen vasthouden [...] teneinde de houder van het recht in staat te stellen een verzoek om optreden in te dienen overeenkomstig artikel 5.”

25 De artikelen 3, lid 1, en 4 van verordening nr. 3295/94 bepaalden in wezen hetzelfde als artikel 5, lid 1, respectievelijk artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1383/2003.

26 De artikelen 9 en 10 van verordening nr. 1383/2003, die vallen onder hoofdstuk III „Voorwaarden waaronder de douaneautoriteiten kunnen optreden en de bevoegde autoriteit een besluit ten gronde kan nemen”, bepalen:

„Artikel 9

1. Wanneer een douanekantoor waaraan [...] een besluit tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht is toegezonden, in voorkomend geval na overleg met de indiener van het verzoek vaststelt dat van goederen die zich in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde situaties bevinden, wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, schorst het de vrijgave of houdt het de goederen vast.

[...]

3. Teneinde vast te stellen of inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht [...], stelt het douanekantoor of de dienst die het verzoek heeft behandeld de houder van het recht op zijn verzoek en voor zover deze informatie beschikbaar is, in kennis van de namen en adressen van zowel de geadresseerde en de afzender, als de aangever of houder van de goederen [...].

[...]

Artikel 10

Aan de hand van de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen zich in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde situaties bevinden, wordt vastgesteld of krachtens de nationale bepalingen inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht.

[...]”

27 Naar analogie bepaalde artikel 6 van verordening nr. 3295/94:

„1. Wanneer een douanekantoor waaraan de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht [...] is doorgegeven, in voorkomend geval na raadpleging van de indiener van het verzoek, vaststelt dat goederen die zich bevinden in een van de situaties als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub a, overeenstemmen met de in de beschikking beschreven goederen als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub a, schort deze dienst de vrijgave van de betrokken goederen op of houdt hij de goederen tegen.

[...] stelt het douanekantoor of de dienst die het verzoek heeft behandeld, de houder van het recht op diens verzoek in kennis van naam en adres van de aangever en, voor zover bekend, van de geadresseerde, zodat hij de zaak kan voorleggen aan de bevoegde autoriteiten voor een beslissing ten principale. [...]

[...]

2. De wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen in een situatie als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub a, verkeren, is van toepassing:

a) op de indiening van het verzoek bij de autoriteit die bevoegd is ten principale te beslissen en op de onverwijlde kennisgeving daarvan aan het in lid 1 bedoelde douanekantoor of de aldaar bedoelde dienst [...];

b) op de vaststelling van de door deze autoriteit te geven beschikking. In afwezigheid van communautaire voorschriften ter zake, worden voor het geven van deze beschikking dezelfde maatstaven gehanteerd als die welke worden gebruikt om vast te stellen of goederen die in de betrokken lidstaat worden vervaardigd, op de rechten van de houder inbreuk maken. [...]”

28 Artikel 16 van verordening nr. 1383/2003 luidt:

„Goederen waarvan na afloop van de in artikel 9 bedoelde procedure is vastgesteld dat zij inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, mogen niet:

– in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht,

– in het vrije verkeer worden gebracht,

– buiten het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht,

– uitgevoerd worden,

– wederuitgevoerd worden,

– onder een schorsingsregeling worden geplaatst, of

– in een vrije zone of een vrij entrepot worden opgeslagen.”

29 Naar analogie bepaalde artikel 2 van verordening nr. 3295/94:

„Goederen waarvan na beëindiging van de in artikel 6 omschreven procedure is vastgesteld dat zij goederen zijn als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub a, mogen niet in de Gemeenschap worden binnengebracht, in het vrije verkeer worden gebracht, worden uitgevoerd, worden wederuitgevoerd, onder een schorsingsregeling worden geplaatst dan wel in een vrije zone of in vrij entrepot worden geplaatst.”

30 Artikel 18 van verordening nr. 1383/2003 bepaalt dat „[e]lke lidstaat [...] de bij overtreding van deze verordening te nemen sancties [vaststelt]. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.” Artikel 11 van verordening nr. 3295/94 bepaalde in wezen hetzelfde.

Internationale regeling

31 De Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: „TRIPs-Overeenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1 C bij de op 15 april 1994 te Marrakesh ondertekende Overeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1), bepaalt in artikel 69:

„De leden komen overeen met elkaar samen te werken teneinde de internationale handel in goederen die inbreuk maken op rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom uit te bannen. Hiertoe stellen zij contactpunten bij hun administratie in en geven de andere partijen daarvan kennis, en zijn zij bereid informatie uit te wisselen over de handel in inbreukmakende goederen. Met name bevorderen zij de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen douaneautoriteiten met betrekking tot de handel in nagemaakte merkartikelen en onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑446/09

32 Op 7 november 2002 hebben de Belgische douaneautoriteiten in de haven van Antwerpen (België) een uit China afkomstige lading gecontroleerd van elektrische scheerapparaten die leken op door Philips ontworpen modellen van scheerapparaten. Aangezien deze modellen beschermd zijn op grond van inschrijvingen die Philips een uitsluitend recht verlenen in verschillende staten, waaronder het Koninkrijk België, rees bij deze autoriteiten het vermoeden dat de gecontroleerde goederen door piraterij waren verkregen. Daarom hebben zij de vrijgave opgeschort overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 3295/94.

33 Op 12 november 2002 heeft Philips op grond van artikel 3 van deze verordening een verzoek tot optreden ingediend.

34 Naar aanleiding van dat verzoek, dat op 13 november 2002 is ingewilligd, hebben de Belgische douaneautoriteiten bepaalde informatie aan Philips verstrekt, zoals een foto van de scheerapparaten en de identiteit van de ondernemingen die bij de productie en de verkoop ervan waren betrokken, namelijk Lucheng (de producent), Far East Sourcing (de verscheper) en Röhlig (de expediteur).

35 Op 9 december 2002 hebben deze autoriteiten beslist de goederen tegen te houden overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3295/94.

36 Op 11 december 2002 heeft Philips Lucheng, Far East Sourcing en Röhlig gedagvaard om te verschijnen voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen teneinde voor recht te horen verklaren dat deze ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op het uitsluitende recht waarvan Philips voor de modellen van scheerapparaten houder is, alsmede op een aantal auteursrechten van Philips. Philips vordert onder meer doch niet uitsluitend veroordeling van deze ondernemingen tot schadevergoeding alsmede vernietiging van de vastgehouden goederen.

37 Voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen is aangetoond dat bij het binnenkomen van deze goederen aanvankelijk een summiere aangifte was gedaan waardoor zij de status van goederen in tijdelijke opslag hebben gekregen, en op 29 januari 2003 is door Röhlig een douaneaangifte ingediend, waarbij Röhlig heeft gevraagd de goederen onder de regeling van het douane-entrepot te plaatsen omdat geen zekerheid over de bestemming van deze goederen bestond.

38 Philips voert voor deze rechtbank aan dat om een inbreuk op de betrokken intellectuele-eigendomsrechten aan te tonen toepassing moet worden gemaakt van de fictie dat goederen zoals die in dat hoofdgeding die zich in een douane-entrepot op het grondgebied van het Koninkrijk België bevinden en daar door de Belgische autoriteiten worden vastgehouden, worden geacht in deze lidstaat te zijn vervaardigd. Ter onderbouwing van dit argument verwijst Philips naar artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 3295/94.

39 Far East Sourcing, de enige verweerster die voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen is verschenen, heeft daarentegen aangevoerd dat goederen niet kunnen worden vastgehouden en vervolgens gekwalificeerd als goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht wanneer niet is bewezen dat zij in de Unie zullen worden verhandeld.

40 Daarop heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Vormt artikel 6, lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 3295/94 van 22 december 1994 (de oude douaneverordening) een regel van geüniformiseerd gemeenschapsrecht, die zich opdringt aan de rechtbank van de lidstaat die overeenkomstig artikel 7 van de verordening gevat werd door de houder van het recht, en houdt deze regel in dat de rechtbank bij haar beoordeling geen rekening mag houden met het statuut van tijdelijke opslag / het transit-statuut en de fictie moet toepassen dat de goederen vervaardigd werden in diezelfde lidstaat, en vervolgens met toepassing van het recht van diezelfde lidstaat moet oordelen of zodanige goederen inbreuk plegen op het intellectuele recht in kwestie?”

Zaak C‑495/09

41 In juli 2008 hebben de Commissioners op de luchthaven van Londen Heathrow (Verenigd Koninkrijk) een uit Hong Kong (China) afkomstige en voor Colombia bestemde lading mobiele telefoons en toebehoren gecontroleerd. Op deze goederen was een teken aangebracht dat identiek is aan een gemeenschapsmerk waarvan Nokia houder is.

42 Omdat de Commissioners vermoedden dat het ging om nepgoederen, hebben zij op 30 juli 2008 enkele stalen naar Nokia opgestuurd. Na onderzoek van deze stalen heeft Nokia de Commissioners gemeld dat het inderdaad ging om imitaties en hun gevraagd of zij bereid waren deze lading in beslag te nemen op grond van verordening nr. 1383/2003.

43 Op 6 augustus 2008 hebben de Commissioners aan Nokia geantwoord dat, omdat de lading voor Colombia bestemd was en niet was bewezen dat zij frauduleus naar de Unie zou worden omgeleid, niet kon worden aangenomen dat er sprake was van „namaakgoederen” in de zin van artikel 2, lid 1, sub a‑i, van verordening nr. 1383/2003. Volgens de Commissioners kon de lading dus niet worden vastgehouden.

44 Op 20 augustus 2008 heeft Nokia een verzoek als bedoeld in artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1383/2003 ingediend teneinde de naam en het adres van de expediteur en de geadresseerde te kennen en alle documenten betreffende de betrokken goederen te krijgen. De Commissioners hebben de informatie die zij in hun bezit hadden, doorgestuurd, maar na onderzoek was Nokia niet in staat de identiteit van de expediteur en van de geadresseerde van deze goederen te achterhalen en is zij tot de slotsom gekomen dat de expediteur en de geadresseerde maatregelen hadden getroffen om hun identiteit te verbergen.

45 Op 24 september 2008 heeft Nokia de Commissioners een aanmaningsbrief gestuurd om hen op de hoogte te brengen van haar voornemen om beroep in te stellen tegen de beslissing om deze lading niet in beslag te nemen. Op 10 oktober 2008 hebben de Commissioners geantwoord dat ingevolge hun beleidsregel die is ingevoerd na het arrest van het Hof van 9 november 2006, Montex Holdings (C‑281/05, Jurispr. blz. I‑10881), goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, niet mogen worden vastgehouden in gevallen als in casu wanneer niet is bewezen dat de betrokken goederen waarschijnlijk frauduleus naar de Unie zullen worden omgeleid.

46 Op 31 oktober 2008 heeft Nokia beroep tegen de beslissing van de Commissioners ingesteld bij de High Court of Justice of England and Wales, Chancery Division. Deze rechterlijke instantie heeft het beroep verworpen bij beslissing van 29 juli 2009. Tegen deze uitspraak heeft Nokia alsdan hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

47 De verwijzende rechter stelt vast dat deze telefoons nepgoederen zijn met het merk waarvan Nokia houder is en dat er bovendien geen aanwijzingen zijn dat deze goederen in de Unie zullen worden verhandeld. Gelet op het feit dat door Philips in vergelijkbare omstandigheden beroep is ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en de rechterlijke instanties van de lidstaten er uiteenlopende opvattingen op na houden, heeft de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Kunnen van een gemeenschapsmerk voorziene niet-communautaire goederen die in een lidstaat onder douanetoezicht staan en in doorvoer zijn van een derde staat naar een andere derde staat, ‚namaakgoederen’ in de zin van artikel 2, lid 1, sub a, van verordening nr. 1383/2003 zijn, wanneer er geen aanwijzingen zijn dat deze goederen in de Gemeenschap op de markt zullen worden gebracht, hetzij overeenkomstig een douaneprocedure hetzij doordat zij daar illegaal worden binnengebracht?”

48 Bij beschikking van de president van de Eerste kamer van het Hof van 11 januari 2011 zijn de zaken C‑446/09 en C‑495/09 gevoegd voor de conclusie en het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

49 Met hun vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of uit een derde land afkomstige goederen die een imitatie zijn van een in de Unie door een merkrecht beschermde waar of een kopie van een in de Unie door een auteursrecht, naburig recht, tekening of model beschermde waar, kunnen worden aangemerkt als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” in de zin van verordening nr. 1383/2003 en, vóór de inwerkingtreding van deze verordening, in de zin van verordening nr. 3295/94, louter op grond van het feit dat zij in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht zonder aldaar in de vrije handel te worden gebracht.

50 Volgens de definitie van de begrippen „namaakgoederen” en „door piraterij verkregen goederen” van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3295/94 en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1383/2003 zien deze begrippen op een inbreuk op een merk, een auteursrecht, een naburig recht of een tekening of model krachtens de Unieregeling of krachtens het nationale recht van de lidstaat waarin wordt verzocht om een optreden van de douaneautoriteiten. Bijgevolg gaat het enkel om een inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten die bij het recht van de Unie en het nationale recht van de lidstaten zijn verleend.

51 In de hoofdgedingen wordt niet betwist dat de in de haven van Antwerpen vastgehouden scheerapparaten in voorkomend geval kunnen worden gekwalificeerd als „door piraterij verkregen goederen” in de zin van verordening nr. 3295/94 wanneer ze zouden worden verhandeld in België of in een van de overige lidstaten waar Philips houder van auteursrechten is en voor de betrokken modellen bescherming geniet, en evenmin wordt betwist dat de op de luchthaven van Londen Heathrow gecontroleerde mobiele telefoons inbreuk zouden maken op Nokia’s gemeenschapsmerk en dus „namaakgoederen” in de zin van verordening nr. 1383/2003 zouden zijn wanneer ze in de Unie zouden worden verhandeld. De partijen in de hoofdgedingen, de lidstaten die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, en de Europese Commissie zijn het daarentegen oneens over de vraag of deze goederen inbreuk op deze intellectuele-eigendomsrechten kunnen maken louter op grond van het feit dat voor deze goederen in het douanegebied van de Unie aangifte is gedaan met verzoek om deze goederen te plaatsen onder een van de schorsingsregelingen bedoeld in artikel 84 van het douanewetboek, namelijk in zaak C‑446/09 de regeling van douane-entrepot en in zaak C‑495/09 de regeling van extern douanevervoer.

52 Door te wijzen op met name het gevaar dat onder een schorsingsregeling aangegeven goederen frauduleus naar de consumenten in de Unie worden omgeleid, en het gevaar dat imitaties of kopieën vaak inhouden voor de gezondheid en de veiligheid, stellen Philips, Nokia, de Belgische, Franse, Italiaanse, Poolse, Portugese en Finse regering alsmede International Trademark Association dat imitaties of kopieën die de autoriteiten in een lidstaat in het stadium van het douane-entrepot of het douanevervoer op het spoor komen, moeten worden vastgehouden en in voorkomend geval uit de handel worden gehaald zonder dat het noodzakelijk is te beschikken over elementen die suggereren of aantonen dat deze goederen in de Unie worden of zullen worden verhandeld. Daar het in de regel moeilijk is dergelijke bewijselementen te vergaren, zouden de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003 elk nut verliezen wanneer een dergelijk bewijs zou worden verlangd.

53 Met het oog op een slagvaardige toepassing van de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003 stellen Philips en de Belgische regering voor toepassing te maken van de fictie dat in douane-entrepot of in douanevervoer aangegeven goederen waarvoor een verzoek tot optreden in de zin van deze verordeningen is ingediend, worden verondersteld te zijn vervaardigd in de lidstaat waar dat verzoek is ingediend, ook al staat vast dat zij in een derde land zijn vervaardigd (vervaardigingsfictie).

54 Far East Sourcing, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische regering en de Commissie erkennen weliswaar de problemen waarmee de internationale handel in imitaties en kopieën gepaard gaat, maar volgens hen kunnen goederen niet als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” in de zin van deze verordeningen worden gekwalificeerd wanneer geen enkele aanwijzing doet vermoeden dat de betrokken goederen in de Unie zullen worden verhandeld. Een andere uitlegging zou de territoriale omvang van de intellectuele-eigendomsrechten krachtens het recht van de Unie en het nationale recht van de lidstaten ten onrechte uitbreiden en bijgevolg het legitieme internationale handelsverkeer van via de Unie transiterende goederen in het gedrang brengen.

Voorlopig vasthouden van onder een schorsingsregeling geplaatste goederen

55 De regeling van doorvoer en die van douane-entrepot worden gekenmerkt, zoals blijkt uit de artikelen 91, 92 en 98 van het douanewetboek, door de verplaatsing van goederen tussen douanekantoren respectievelijk de opslag van goederen in een entrepot dat onder douanetoezicht staat. Deze handelingen kunnen als zodanig uiteraard geen verhandeling van goederen in de Unie uitmaken (zie inzake intracommunautaire doorvoer arrest van 23 oktober 2003, Rioglass en Transremar, C‑115/02, Jurispr. blz. I‑12705, punt 27, en arrest Montex Holdings, reeds aangehaald, punt 19).

56 Uit dit gegeven heeft het Hof herhaaldelijk afgeleid dat onder een schorsingsregeling geplaatste goederen niet louter wegens deze plaatsing inbreuk kunnen maken op in de Unie geldende intellectuele-eigensdomsrechten (zie met name inzake rechten op tekeningen en modellen arrest van 26 september 2000, Commissie/Frankrijk, C‑23/99, Jurispr. blz. I‑7653, punten 42 en 43, en inzake merkrechten arrest Rioglass en Transremar, reeds aangehaald, punt 27; arrest van 18 oktober 2005, Class International, C‑405/03, Jurispr. blz. I‑8735, punt 47, en arrest Montex Holdings, reeds aangehaald, punt 21).

57 Daarentegen kan inbreuk op deze rechten worden gemaakt wanneer met betrekking tot uit derde landen afkomstige goederen gedurende hun plaatsing onder een schorsingsregeling in het douanegebied van de Unie of zelfs vóór ze in dat gebied binnenkomen, tot de consumenten in de Unie gerichte commerciële handelingen worden gesteld zoals verkoop, verkoopaanbieding of reclame (zie arrest Class International, reeds aangehaald, punt 61, en arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 67).

58 Gelet op het gevaar, dat het Hof reeds heeft vastgesteld (arrest van 6 april 2000, Polo/Lauren, C‑383/98, Jurispr. blz. I‑2519, punt 34), dat in het douanegebied van de Unie in een douane-entrepot opgeslagen of via dat gebied transiterende goederen frauduleus naar de consumenten in de Unie worden omgeleid, moet worden opgemerkt dat behalve een commerciële handeling die reeds tot deze consumenten is gericht, andere omstandigheden eveneens ertoe kunnen leiden dat de douaneautoriteiten van de lidstaten onder een schorsingsregeling aangegeven goederen die imitaties of kopieën zijn, voorlopig vasthouden.

59 Zoals de Franse, de Italiaanse en de Poolse regering hebben benadrukt, wordt vaak om plaatsing van uit derde landen afkomstige goederen onder een schorsingsregeling gevraagd in omstandigheden waarin de bestemming van de goederen hetzij onbekend is, hetzij op weinig betrouwbare wijze is aangegeven. Aangezien handelaars in imitaties en kopieën in het verborgen opereren, kan voor het vasthouden door de douaneautoriteiten van goederen die volgens hen imitaties of kopieën zijn, bovendien niet als voorwaarde gelden dat is bewezen dat deze goederen reeds aan consumenten in de Unie zijn verkocht of te koop aangeboden of dat voor deze goederen reeds reclame is gemaakt bij deze consumenten, aangezien anders de nuttige werking van de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003 wordt uitgehold.

60 Integendeel, wanneer douaneautoriteiten vaststellen dat imitaties of kopieën van een in de Unie intellectuele-eigendomsrechtelijk beschermde waar in een entrepot zijn opgeslagen of in doorvoer zijn, hebben zij het recht op te treden wanneer zij over aanwijzingen beschikken waaruit blijkt dat een of meerdere van de bij de productie, expeditie of distributie van de goederen betrokken ondernemingen op het punt staan deze goederen naar de consumenten van de Unie om te leiden ook al is daar nog geen begin mee gemaakt, of hun commerciële bedoelingen verbergen.

61 Met betrekking tot de aanwijzingen waarover deze autoriteiten moeten beschikken om vrijgave van de goederen op te schorten of goederen vast te houden in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3295/94 en artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1383/2003, volstaat het, zoals de advocaat-generaal in de punten 96 en 97 alsmede 110 en 111 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat er gegevens zijn die een vermoeden kunnen funderen. Voorbeelden van dergelijke gegevens zijn de omstandigheid dat de bestemming van de goederen niet is aangegeven hoewel voor de gevraagde schorsingsregeling aangifte van de bestemming vereist is, het ontbreken van nauwkeurige of betrouwbare informatie over de identiteit of het adres van de producent of de expediteur van de goederen, het ontbreken van samenwerking met de douaneautoriteiten of nog aan het licht gekomen documenten of briefwisseling over de betrokken goederen waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat deze goederen naar de consumenten in de Unie worden omgeleid.

62 Zoals de advocaat-generaal in punt 106 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het in elk geval vereist dat een dergelijk vermoeden ontstaat uit de omstandigheden van het concrete geval. Indien dit vermoeden en het optreden als gevolg daarvan zonder meer zouden kunnen zijn gebaseerd op de abstracte overweging dat per definitie niet uit te uitsluiten valt dat de goederen frauduleus naar de consumenten in de Unie worden omgeleid, zou het mogelijk zijn om het even welke goederen die zich in extern douanevervoer of in een douane-entrepot bevinden, zonder de minste concrete aanwijzing van enige onregelmatigheid vast te houden. Alsdan bestaat het gevaar dat de douaneautoriteiten van de lidstaten willekeurig en buitensporig gaan optreden.

63 In dit verband moet voor ogen worden gehouden dat het mogelijk is dat imitaties of kopieën die uit een derde land afkomstig zijn en naar een ander derde land worden vervoerd, in elk van deze twee landen in overeenstemming zijn met de normen inzake intellectuele eigendom. Gelet op de voornaamste doelstelling van de gemeenschappelijke handelspolitiek, zoals verwoord in artikel 131 EG en artikel 206 VWEU, die erin bestaat de wereldhandel te ontwikkelen door de geleidelijke afschaffing van de beperkingen voor het internationale handelsverkeer, is het van wezenlijk belang dat deze goederen vanuit een derde land via de Unie naar een ander derde land kunnen transiteren zonder dat de transit door de douaneautoriteiten van de lidstaten wordt belemmerd, zij het doordat zij de goederen voorlopig vasthouden. Deze belemmering zou juist ontstaan wanneer de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003 aldus zouden worden uitgelegd dat het mogelijk is goederen in transit vast te houden zonder de minste aanwijzing die kan doen vermoeden dat zij frauduleus naar de consumenten in de Unie kunnen worden omgeleid.

64 Deze overweging vindt overigens steun in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3295/94 en in punt 2 van de considerans van verordening nr. 1383/2003, waarin wordt verklaard dat de doelstelling van de Uniewetgever alleen erin bestaat „het op de markt brengen” van goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, te verhinderen en daartoe doeltreffende maatregelen te nemen „zonder dat evenwel de vrijheid van de rechtmatige handel wordt beknot”.

65 Met betrekking tot, ten slotte, goederen waarvoor geen aanwijzingen in de zin van punt 61 van het onderhavige arrest bestaan maar waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht in het vermoedelijke derde land van bestemming, dient te worden opgemerkt dat het de douaneautoriteiten van de lidstaten waar deze goederen in extern douanevervoer zijn, vrijstaat krachtens artikel 69 van de TRIPs-Overeenkomst samen te werken met de douaneautoriteiten van dat derde land teneinde in voorkomend geval de goederen uit het internationale handelsverkeer te nemen.

66 Tegen de achtergrond van voorgaande preciseringen moet de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) voor de beoordeling of de weigering van de Commissioners ten aanzien van Nokia in overeenstemming is met artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1383/2003, nagaan of de Commissioners over aanwijzingen beschikten die een vermoeden in de zin van deze bepaling kunnen doen ontstaan, waardoor zij bijgevolg ertoe verplicht waren, krachtens deze verordening de vrijgave van de goederen op te schorten of deze goederen vast te houden teneinde ze te blokkeren in afwachting van de beslissing ten gronde van de bevoegde autoriteit. De feitelijke gegevens waarop Nokia zich beroept en die in de verwijzingsbeslissing zijn vermeld, betreffende met name de onmogelijkheid om de expediteur van de betrokken goederen te identificeren, zijn – indien correct – in dit verband relevant.

Beslissing ten gronde volgend op het voorlopig vasthouden van onder een schorsingsregeling geplaatste goederen

67 Anders dan de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division), die uitspraak moet doen in het geding tussen Nokia en de Commissioners over hun weigering om goederen vast te houden, moet de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in de door Philips ingeleide zaak overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 3295/94, thans artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 1383/2003, uitmaken of goederen die door de douaneautoriteiten op grond van dat artikel 6, lid 1, reeds worden vastgehouden, daadwerkelijk inbreuk maken op de intellectuele-eigendomsrechten waarvan Philips houder is.

68 Anders dan de beslissing die de douaneautoriteiten hebben genomen om de goederen voorlopig vast te houden op grond artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3295/94 en artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1383/2003, kan de beslissing ten gronde in de zin van artikel 6, lid 2, sub b, van verordening nr. 3295/94 en artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 1383/2003 niet worden genomen op basis van een vermoeden, maar moet zij gebaseerd zijn op een onderzoek van de vraag of is bewezen dat inbreuk is gemaakt op het betrokken recht.

69 Ingeval de rechterlijke of andere instantie die bevoegd is een beslissing ten gronde te nemen, vaststelt dat inbreuk is gemaakt op het betrokken intellectuele-eigendomsrecht, zijn vernietiging of afstand de enige mogelijke douanebestemmingen voor de betrokken goederen. Dit vloeit voort uit artikel 2 van verordening nr. 3295/94 en artikel 16 van verordening nr. 1383/2003, in samenhang gelezen met artikel 4 van het douanewetboek, daar de artikelen 11 respectievelijk 18 van deze verordeningen bovendien preciseren dat moet worden voorzien in doeltreffende en afschrikkende sancties voor overtredingen van deze verordeningen. Het ligt voor de hand dat de betrokken ondernemingen een dergelijke buitenbezitstelling en dergelijke sancties niet mogen ondergaan louter op grond van een gevaar voor fraude of op basis van een fictie zoals die welke Philips en de Belgische regering voorstaan.

70 Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische regering en de Commissie terecht stellen, kan de autoriteit die bevoegd is ten gronde te beslissen, goederen waarvan een douaneautoriteit vermoedt dat zij inbreuk maken op een in de Unie geldend intellectuele-eigendomsrecht maar waarvan na een onderzoek ten gronde niet is bewezen dat zij bestemd zijn om in de Unie te worden verhandeld, bijgevolg niet aanmerken als „namaakgoederen” en „door piraterij verkregen goederen” of, meer in het algemeen, als „goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht”.

71 Met betrekking tot de bewijselementen waarover de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit moet beschikken teneinde vast te stellen dat imitaties of kopieën die in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht zonder aldaar in de vrije handel te worden gebracht, inbreuk kunnen maken op een in de Unie geldend intellectuele-eigendomsrecht, zij opgemerkt dat met name de verkoop van de goederen aan een klant in de Unie, een verkoopaanbieding aan of reclame bij consumenten in de Unie of nog documenten of briefwisseling betreffende de betrokken goederen waaruit blijkt dat het voornemen bestaat om deze goederen naar de consumenten in de Unie om te leiden, dergelijke elementen kunnen vormen.

72 De in het vorige punt uiteengezette uitlegging betreffende de bewijslast jegens de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit wordt niet weerlegd door de opmerkingen die bepaalde partijen in de hoofdgedingen en een aantal regeringen bij het Hof hebben ingediend, waarin met name wordt gesteld dat elk verzuim, als gevolg van dit vereiste betreffende de bewijslast, van vernietiging van de in het douanegebied van de Unie ontdekte imitaties of kopieën de nuttige werking van de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003 uitholt en bovendien voorbijgaat aan het feit dat in talrijke handelssectoren, waaronder die van elektrische apparaten, dergelijke goederen een gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de consumenten inhouden.

73 Wat – ten eerste – de nuttige werking van deze verordeningen betreft moet worden aangenomen dat de strijd tegen de illegale handel niet aan doeltreffendheid inboet omdat de douaneautoriteit die goederen heeft vastgehouden, ertoe verplicht is deze interventie stop te zetten telkens wanneer de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit vaststelt dat niet naar behoren is bewezen dat de goederen bestemd zijn om in de Unie te worden verhandeld.

74 Dat een einde wordt gemaakt aan de vasthouding van goederen krachtens de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003, impliceert geenszins dat deze goederen voortaan aan douanetoezicht ontsnappen. Uit artikel 37 van het douanewetboek en uit de toepassingsbepalingen ervan blijkt immers dat elk stadium van een schorsingsregeling, zoals bij extern douanevervoer, door de douaneautoriteiten van de lidstaten strikt moet worden opgevolgd en bijgehouden en elke aanzienlijke afwijking van de op de douaneaangifte vermelde gegevens ertoe kan leiden dat deze autoriteiten met betrekking tot deze goederen optreden.

75 De strijd tegen illegale handel wordt evenmin gedwarsboomd door de – reeds door het Hof vastgestelde – omstandigheid dat de houder van het intellectuele-eigendomsrecht zich onmogelijk kan wenden tot de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit wanneer de ondernemingen die ervoor verantwoordelijk zijn dat de betrokken goederen in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, hun identiteit verborgen hebben gehouden (arrest van 14 oktober 1999, Adidas, C‑223/98, Jurispr. blz. I‑7081, punt 27). In het douanerecht van de Unie is het beginsel neergelegd dat een aangifte moet worden gedaan voor alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst (arrest van 15 september 2011, DP grup, C‑138/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33). Zoals blijkt uit artikel 59 van het douanewetboek en uit de toepassingsbepalingen ervan, heeft een aangifte waarvoor een identificatie onmogelijk is doordat de naam of het adres van de aangever of van andere betrokken ondernemingen verborgen zijn gehouden, tot gevolg dat geen geldige vrijgave van de goederen voor de doeleinden van de gevraagde douaneregeling kan gebeuren. Wanneer betrouwbare informatie over de identiteit of het adres van de betrokken ondernemingen blijft ontbreken, kunnen de goederen ingevolge artikel 75 van het douanewetboek worden verbeurdverklaard.

76 Met betrekking tot – ten tweede – het gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de consumenten dat imitaties en kopieën soms kunnen inhouden, blijkt uit het dossier en uit punt 2 van de considerans van verordening nr. 1383/2003 dat heel wat documentatie over dit gevaar bestaat en de Uniewetgever het bestaan van dit gevaar heeft erkend. Zoals met name Nokia en de Portugese regering hebben opgemerkt, kan overigens uit voorzorg worden gepleit voor onmiddellijke inbeslagneming van goederen die een dergelijk gevaar inhouden, ongeacht de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst. De vraag of de voor productie en distributie van deze goederen verantwoordelijke ondernemingen deze goederen voor consumenten in de Unie dan wel voor consumenten in derde landen bestemmen, is in deze context irrelevant.

77 Evenwel dient te worden vastgesteld dat de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003, waarvan de verwijzende rechters om uitlegging verzoeken, enkel zien op de bestrijding van het binnenbrengen in de Unie van goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten. Met het oog op een gedegen beheersing van het gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de consumenten moet op grond van andere bepalingen van het Unierecht, zoals de artikelen 56, 58 en 75 van het douanewetboek, worden beoordeeld welke bevoegdheden en welke verplichtingen de douaneautoriteiten van de lidstaten hebben met betrekking tot goederen die een dergelijk gevaar inhouden.

78 Gelet op al het voorgaande dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat de verordeningen nrs. 3295/94 en 1383/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat:

– uit een derde land afkomstige goederen die een imitatie zijn van een in de Unie door een merkrecht beschermde waar of een kopie van een in de Unie door een auteursrecht, naburig recht, tekening of model beschermde waar, niet als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” in de zin van deze verordeningen kunnen worden aangemerkt louter op grond van het feit dat zij onder een schorsingsregeling in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht;

– deze goederen daarentegen inbreuk op dat recht kunnen maken en dus als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” kunnen worden aangemerkt wanneer is bewezen dat zij bestemd zijn om in de Unie te worden verhandeld, waarbij dit bewijs is geleverd met name wanneer blijkt dat deze goederen aan een klant in de Unie zijn verkocht of voor deze goederen een verkoopaanbieding is gedaan aan of reclame is gemaakt bij consumenten van de Unie, of wanneer uit documenten of briefwisseling betreffende deze goederen blijkt dat het voornemen bestaat om deze goederen naar de consumenten in de Unie om te leiden;

– opdat de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit op nuttige wijze kan onderzoeken of een dergelijk bewijs bestaat en of er sprake is van de andere bestanddelen van een inbreuk op het aangevoerde intellectuele-eigendomsrecht, de douaneautoriteit waarbij een verzoek om optreden is gedaan, de vrijgave van deze goederen moet opschorten of deze goederen moet vasthouden zodra zij beschikt over aanwijzingen van een vermoeden dat inbreuk is gemaakt, en

– dergelijke aanwijzingen onder meer kunnen zijn het feit dat de bestemming van de goederen niet is aangegeven hoewel voor de gevraagde schorsingsregeling daarvan aangifte moet worden gedaan, het ontbreken van nauwkeurige of betrouwbare informatie betreffende de identiteit of het adres van de producent of de expediteur van de goederen, het ontbreken van samenwerking met de douaneautoriteiten of nog aan het licht gekomen documenten of briefwisseling betreffende de betrokken goederen die het vermoeden kunnen doen ontstaan dat deze goederen mogelijk naar de consumenten in de Unie zullen worden omgeleid.

Kosten

79 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 houdende vaststelling van een aantal maatregelen betreffende het binnenbrengen in de Gemeenschap alsmede de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap, van goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 241/1999 van de Raad van 25 januari 1999, en verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten, moeten aldus worden uitgelegd dat:

– uit een derde land afkomstige goederen die een imitatie zijn van een in de Europese Unie door een merkrecht beschermde waar of een kopie van een in de Unie door een auteursrecht, naburig recht, tekening of model beschermde waar, niet als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” in de zin van deze verordeningen kunnen worden aangemerkt louter op grond van het feit dat zij onder een schorsingsregeling in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht;

– deze goederen daarentegen inbreuk op dat recht kunnen maken en dus als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” kunnen worden aangemerkt wanneer is bewezen dat zij bestemd zijn om in de Europese Unie te worden verhandeld, waarbij dit bewijs is geleverd met name wanneer blijkt dat deze goederen aan een klant in de Unie zijn verkocht of voor deze goederen een verkoopaanbieding is gedaan aan of reclame is gemaakt bij consumenten van de Unie, of wanneer uit documenten of briefwisseling betreffende deze goederen blijkt dat het voornemen bestaat om deze goederen naar de consumenten in de Unie om te leiden;

– opdat de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit op nuttige wijze kan onderzoeken of een dergelijk bewijs bestaat en of er sprake is van de andere bestanddelen van een inbreuk op het aangevoerde intellectuele-eigendomsrecht, de douaneautoriteit waarbij een verzoek om optreden is gedaan, de vrijgave van deze goederen moet opschorten of deze goederen moet vasthouden zodra zij beschikt over aanwijzingen van een vermoeden dat inbreuk is gemaakt, en

– dergelijke aanwijzingen onder meer kunnen zijn het feit dat de bestemming van de goederen niet is aangegeven hoewel voor de gevraagde schorsingsregeling daarvan aangifte moet worden gedaan, het ontbreken van nauwkeurige of betrouwbare informatie betreffende de identiteit of het adres van de producent of de expediteur van de goederen, het ontbreken van samenwerking met de douaneautoriteiten of nog aan het licht gekomen documenten of briefwisseling betreffende de betrokken goederen die het vermoeden kunnen doen ontstaan dat deze goederen mogelijk naar de consumenten in de Europese Unie zullen worden omgeleid.

ondertekeningen

bron : http://curia.europa.eu/juris/documen...t=1&cid=266625