Deveroordeling van voormalig bestuursvoorzitter van woningcorporatie Rochdalewegens onder meer het aannemen van steekpenningen, belastingfraude en meineed,dient in stand te blijven. Dat adviseert advocaat-generaal (AG)Aben de Hoge Raad in zijnconclusie die vandaag is gepubliceerd.
Het gerechtshofAmsterdam veroordeelde de voormalig bestuursvoorzitter op 29 maart 2017 voorniet-ambtelijke omkoping, verduistering in dienstbetrekking, gewoontewitwassen,belastingfraude, valsheid in geschrift en meineed tot een gevangenisstraf van driejaar en drie maanden. De verdachte was het niet eens met deze veroordeling en gingin cassatie bij de Hoge Raad.
De tweecassatieklachten richten zich uitsluitend tegen het gebruik door het hof van de(meinedige) verklaring die de verdachte in 2014 heeft afgelegd tegenover deParlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties. De verdediging van de verdachteis van mening dat art. 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces, eraan in de wegstaat dat deze door de verdachte afgelegde verklaring in de strafzaak op welkewijze dan ook tegen hem wordt gebruikt. Ook kon de verdachte, volgens deverdediging, niet ongehinderd zijn proceshouding bepalen doordat hij indezelfde strafzaak zowel voor meineed als voor de andere delicten werdvervolgd.
In de visie van de AG gaan deze klachten niet op. Het hofheeft uitsluitend de bewezenverklaring van meineed gebaseerd op het afleggen vande meinedige verklaring tegenover de enquêtecommissie. Artikel 6 EVRM staat hieraanniet in de weg. Dit artikelstrekt ertoe om een verdachte tebeschermen tegen een veroordeling op grond van onder dwang afgelegdeverklaringen over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit en niet totbescherming van een verdachte die, zoals in dit geval, opzettelijk onder ede instrijd met de waarheid een verklaring heeft afgelegd en daarmee een strafbaarfeit heeft gepleegd. In de wet is uitdrukkelijk bepaald dat verklaringen die inhet kader van een parlementaire enquête zijn afgelegd, als bewijs mogen wordengebruikt in een strafrechtelijke procedure naar meineed. Ook de cassatieklachtdat de gezamenlijke behandeling van de meineed en de andere feiten deprocesstrategie van de verdachte heeft bemoeilijkt gaat niet op. Artikel 6 EVRMstrekt niet zo ver dat de verdachte geen hinder zou mogen ondervindenvan eerder door hem afgelegde verklaringen. De uitspraak dient dan ook in standte blijven.
De Hoge Raad zal naar verwachtingop 12 februari 2019 uitspraak doen in deze zaak.
De conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat al dan niet te volgen. De advocaat-generaal is lid van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.


More...