De veroordeling wegens de moord op een 25-jarige man in een loods in Maastricht in december 2012 blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
Het slachtoffer werd in december 2012 als vermist opgegeven. Enkele dagen daarna werd zijn stoffelijk overschot aangetroffen in een loods. Zijn lichaam was verbrand en uit sectieonderzoek bleek dat hij voorafgaand aan de brand ernstig was mishandeld, dat hij als gevolg van deze mishandelingen was overleden en zijn lichaam daarna in brand was gestoken. De verdachte, die werd gezien als een vriend van het slachtoffer, werd eerst als getuige gehoord. Gaandeweg het onderzoek werd hij als verdachte aangemerkt en aangehouden voor de moord en de brandstichting.
De verdachte heeft steeds ontkend bij de feiten betrokken te zijn. Namens de verdachte is zowel bij de rechtbank als het gerechtshof bepleit dat het Openbaar Ministerie (OM) zich schuldig maakt aan ‘tunnelvisie’, een onvolledig en onevenwichtig onderzoek heeft verricht en daarbij het door art. 6 EVRM beschermde recht van de verdachte op een eerlijk proces ernstig heeft geschonden. Alternatieve scenario’s, bijvoorbeeld de mogelijkheid dat het slachtoffer CIE-informant was en dat zijn dood in verband kan worden gebracht met de activiteiten die hij als informant verrichtte, zijn volgens de verdediging niet of niet voldoende onderzocht. Op grond daarvan is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepleit dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging. Het Hof heeft dit verweer, in navolging van de rechtbank, verworpen en de verdachte veroordeeld tot 24 jaar gevangenisstraf.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. In cassatie wordt geklaagd over de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer, over de afwijzing van verzoeken van de verdediging om getuigen te horen en over de bewezenverklaring van de moord.
Deze cassatieklachten slagen naar het oordeel van de Hoge Raad niet. De Hoge Raad heeft de klachten zonder inhoudelijke motivering afgedaan omdat het cassatieberoep ongegrond is en geen juridisch belangrijke nieuwe vragen oproept.
Ook is geklaagd over de overschrijding van de termijn die redelijk is voor de berechting van de verdachte. Deze klacht slaagt naar het oordeel van de Hoge Raad wel. De opgelegde gevangenisstraf wordt om die reden 23 jaar en 3 maanden.


More...