ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
12 februari 2009 (*)
„Verzoek om prejudiciŽle beslissing – Verordening (EG) nr. 1383/2003 – Artikel 11 – Vereenvoudigde procedure voor afstand van goederen voor vernietiging – Voorafgaande vaststelling van bestaan van inbreuk op intellectuele-eigendomsrecht – Administratieve sanctie”
In zaak C‑93/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciŽle beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Augstākās tiesas Senāta Administratīvo lietu departaments (Letland) bij beslissing van 14 februari 2008, ingekomen bij het Hof op 28 februari 2008, in de procedure
Schenker SIA
tegen
Valsts ieņēmumu dienests,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.‑C. Bonichot, J. Makarczyk, P. Kūris en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 december 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– Schenker SIA, vertegenwoordigd door A. Tauriņš, lid van de raad van bestuur, bijgestaan door I. Faksa, advokāte,
– de Valsts ieņēmumu dienests, vertegenwoordigd door Dz. Jakāns als gemachtigde, bijgestaan door E. Krimela als gemachtigde,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door E. Balode-Buraka, E. Eihmane en K. Drēviņa als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door O. Patsopoulou en Z. Chatzipavlou als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Kalniņš en S. SchÝnberg als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende

Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciŽle beslissing betreft de uitlegging van artikel 11 van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (PB L 196, blz. 7).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap Schenker SIA (hierna: „Schenker”) en de Valsts ieņēmumu dienests (nationale belastingdienst) over een geldboete die aan deze vennootschap is opgelegd na de vernietiging van goederen waarvan werd vermoed dat zij inbreuk maakten op een intellectuele-eigendomsrecht.

Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling

3 Bij verordening nr. 1383/2003 is verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341, blz. 8), ingetrokken en vervangen.

4 De punten 3, 5, 9 en 10 van de considerans van verordening nr. 1383/2003 luiden als volgt:
„(3) Wanneer namaakgoederen of door piraterij verkregen goederen en, in het algemeen, goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten van oorsprong of van herkomst zijn uit derde landen, moet het binnenbrengen van dergelijke goederen in het douanegebied van de Gemeenschap [...] worden verboden en moet in een procedure worden voorzien die de douaneautoriteiten de mogelijkheid geeft dit verbod zo doeltreffend mogelijk te handhaven.
[...]

(5) De douaneautoriteiten moeten de vrijgave voor het vrije verkeer, de uitvoer of de wederuitvoer opschorten, of, [...], deze goederen vasthouden gedurende de tijd die nodig is om na te gaan of het daadwerkelijk gaat om namaakgoederen of door piraterij verkregen goederen of goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten.
[...]

(9) Teneinde de toepassing van deze verordening zowel voor de douane-instanties als voor de houders van rechten gemakkelijker te maken, moet een meer flexibele procedure kunnen worden gevolgd waarbij goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten worden vernietigd, zonder dat een procedure moet worden ingeleid om vast te stellen of krachtens de nationale wetgeving inbreuk is gemaakt op intellectuele-eigendomsrechten.

(10) Er moeten maatregelen worden vastgesteld die van toepassing zijn op goederen waarvan is vastgesteld dat zij namaakgoederen of door piraterij verkregen goederen zijn dan wel in het algemeen inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten. Deze maatregelen moeten niet alleen de personen die verantwoordelijk zijn voor het in de handel brengen van dergelijke goederen de economische voordelen van de transactie ontnemen en hen bestraffen, maar ook voldoende afschrikkend zijn om dergelijke praktijken in de toekomst te voorkomen.”

5 Artikel 2, lid 1, sub a‑i, van verordening nr. 1383/2003 bepaalt:
„In deze verordening wordt [...] verstaan [onder]:
a) ‚namaakgoederen’ [...]:
i) goederen, met inbegrip van hun verpakking, waarop zonder toestemming een fabrieks‑ of handelsmerk is aangebracht dat identiek is aan of [...] niet wezenlijk kan worden onderscheiden van het geldig geregistreerde fabrieks‑ of handelsmerk voor dergelijke goederen, en die zodoende, volgens de communautaire wetgeving [...] of de [nationale] wetgeving [...], inbreuk maken op de rechten van de houder van het betrokken merk [...].”

6 Artikel 10, eerste alinea, van deze verordening luidt als volgt:
„Aan de hand van de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen zich in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde situaties bevinden, wordt vastgesteld of krachtens de nationale bepalingen inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht.”

7 Artikel 11, lid 1, van deze verordening luidt:
„1. Wanneer de douaneautoriteiten goederen die vermoedelijk inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht hebben vastgehouden [...], kunnen de lidstaten overeenkomstig hun nationale wetgeving voorzien in een met de instemming van de houder van het recht te volgen vereenvoudigde procedure, die de douaneautoriteiten de mogelijkheid biedt de goederen onder douanetoezicht af te staan voor vernietiging, zonder dat hoeft te worden nagegaan of volgens de nationale rechtsvoorschriften inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht. Daartoe passen de lidstaten in overeenstemming met hun nationale wetgeving de volgende voorwaarden toe:
– binnen tien werkdagen [...], te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de in artikel 9 bedoelde kennisgeving, stelt de houder van het recht de douaneautoriteiten er schriftelijk van in kennis dat de aan de procedure onderworpen goederen inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht in de zin van artikel 2, lid 1, en verstrekt hij deze autoriteiten de schriftelijke verklaring van de aangever, de houder of de eigenaar van de goederen waarbij deze ermee instemt dat de goederen voor vernietiging worden afgestaan. [...] Deze termijn kan met tien werkdagen worden verlengd indien de omstandigheden zulks wettigen;
– tenzij anders bepaald in de nationale wetgeving, geschiedt de vernietiging op kosten en onder verantwoordelijkheid van de houder van het recht en wordt deze steeds voorafgegaan door het nemen van monsters die de douaneautoriteiten zo moeten bewaren dat zij als bewijsmateriaal toelaatbaar zijn in een gerechtelijke procedure van de lidstaat waarin zij mogelijkerwijze zullen moeten worden gebruikt.”

8 Artikel 18 van verordening nr. 1383/2003 bepaalt:
„Elke lidstaat stelt de bij overtreding van deze verordening te nemen sancties vast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

Nationale regeling
9 Artikel 201.12, tweede alinea, van de Administratīvo pārkāpumu Kodekss (Lets wetboek van administratieve overtredingen) bepaalt:
„Plaatsing onder een douaneregeling van nagemaakte en door piraterij verkregen goederen of het tijdelijk onder zich houden van dergelijke goederen wordt gestraft met een geldboete van 50 tot 250 lats voor natuurlijke personen en van 500 tot 5 000 lats voor rechtspersonen, en met inbeslagneming van de goederen.”

Hoofdgeding en prejudiciŽle vraag
10 Uit hoofde van een overeenkomst heeft Schenker, een douaneagent, op eigen naam en voor rekening van de ontvanger van de goederen, de vennootschap Rovens SIA (hierna: „Rovens”), producten in het vrije verkeer gebracht die het merk „Nokia” droegen.

11 Op 16 februari 2005 rees tijdens een controle van de ingevoerde goederen bij het Rīgas muitas iestāde (douanekantoor Riga) het vermoeden dat het om namaakgoederen ging.

12 Overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1383/2003 hebben de douaneautoriteiten de producten vastgehouden en monsters daarvan genomen, die voor advies naar de vertegenwoordiger van Nokia Corp., de houdster van het merk „Nokia”, zijn gestuurd. Ook hebben zij Rovens van deze procedure op de hoogte gebracht.

13 Op 1 maart 2005 heeft Nokia Corp. de douaneautoriteiten laten weten dat besprekingen met Rovens werden gevoerd over de mogelijke toepassing van de vereenvoudigde procedure voor de vernietiging van de goederen, en heeft zij hen verzocht de termijn voor vasthouding van de goederen met 10 dagen te verlengen.

14 Op 3 maart 2005 heeft Nokia Corp. de douaneautoriteiten meegedeeld dat de genomen monsters aantoonden dat het bij de betrokken goederen om namaakgoederen ging. Op 4 maart 2005 zijn Nokia Corp. en Rovens overeengekomen dat de betrokken goederen op kosten van Rovens zouden worden vernietigd, wat zij op 11 maart 2005 aan de douaneautoriteiten hebben laten weten.

15 Op 1 april 2005 hebben de douaneautoriteiten een proces-verbaal opgemaakt, waarin zij vaststelden dat Schenker als „aangever” in strijd met de artikelen 9 en 16 van verordening nr. 1383/2003 had gehandeld. Op basis van het op 3 maart 2005 door Nokia Corp. uitgebrachte advies hebben zij vastgesteld dat Schenker een „overtreding” in de zin van artikel 201.12, tweede alinea, van het wetboek van administratieve overtredingen had begaan, en hebben zij haar een geldboete van 500 LVL (Letlandse lats) opgelegd.

16 Schenker heeft dat besluit tevergeefs aangevochten bij de directeur van de Valsts ieņēmumu dienests. Daarop heeft zij voor de Administratīvā rajona tiesa (administratieve districtsrechtbank) beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld op grond dat artikel 11 van verordening nr. 1383/2003 in feite in de mogelijkheid voorziet om niet vast te stellen dat de goederen namaakgoederen zijn. Dit beroep is verworpen.

17 In hoger beroep heeft het Apgabaltiesa (regionaal hof) geoordeeld dat artikel 11 niet van toepassing was, aangezien over de vernietiging van de producten pas overeenstemming was bereikt nadat de douaneautoriteiten onderzoek hadden gedaan naar inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht.

18 Schenker heeft daarop beroep in cassatie ingesteld bij de Augstākās tiesas Senāta Administratīvo lietu departaments, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciŽle vraag heeft gesteld:
„Moet artikel 11 van verordening nr. 1383/2003 aldus worden uitgelegd dat wanneer de houder van het intellectuele-eigendomsrecht (houder van het recht) met de aangever of de eigenaar van de goederen overeenstemming bereikt om die goederen voor vernietiging af te staan of besprekingen begint over de mogelijkheid dat die goederen voor vernietiging worden afgestaan, en de douaneautoriteiten in het kader van die procedure informatie ontvangen dat het om namaakgoederen gaat, het uitgesloten is dat de aangever of de eigenaar van die goederen een sanctie naar nationaal recht kan worden opgelegd?”

Beantwoording van de prejudiciŽle vraag
19 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de inleiding van de in artikel 11 van verordening nr. 1383/2003 bedoelde vereenvoudigde procedure met de instemming van de houder van een intellectuele-eigendomsrecht en de invoerder, de bevoegde nationale autoriteiten het recht ontneemt om degenen die voor de invoer van dergelijke goederen in het douanegebied van de Gemeenschap verantwoordelijk zijn, een „sanctie” in de zin van artikel 18 van deze verordening, zoals een bestuurlijke boete, op te leggen.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

20 Schenker is van mening dat verordening nr. 1383/2003 de douaneautoriteiten niet toestaat een sanctie op te leggen wanneer tussen de houder van een intellectuele-eigendomsrecht en de invoerder een vereenvoudigde procedure is ingeleid, aangezien, enerzijds, de vernietiging van de betrokken goederen op zich al een sanctie is, en, anderzijds, deze autoriteiten zich niet mogen mengen in de beslechting van conflicten tussen particuliere ondernemers, die uitsluitend door het civiele recht en de gerechtelijke procedures wordt geregeld. Voorts kan een administratieve sanctie, zoals een geldboete, niet worden opgelegd aan Schenker als douaneagent, in plaats van aan de invoerder of de fabrikant.

21 Verder hebben de douaneautoriteiten zich in het hoofdgeding voor het opleggen van de betrokken geldboete alleen gebaseerd op de eenzijdige verklaring van de merkhouder. Schenker, op dit punt ondersteund door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, betwijfelt evenwel of die verklaring voldoende bewijskrachtig is om tot de vaststelling van een „inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht” in de zin van verordening nr. 1383/2003 te kunnen leiden.

22 De Valsts ieņēmumu dienests, de Letse, de Tsjechische, de Griekse en de Finse regering alsmede de Commissie zijn van mening dat de toepassing van een „vereenvoudigde procedure” in de zin van artikel 11 van verordening nr. 1383/2003 de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid tot het opleggen van „sancties” in de zin van artikel 18 van deze verordening niet ontneemt, nu de lidstaten, zoals ook uit punt 10 van de considerans van de verordening blijkt, voor inbreuken op een intellectuele-eigendomsrecht doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties moeten opleggen.

Antwoord van het Hof
23 Wat de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten betreft om een „sanctie” in de zin van artikel 18 van verordening nr. 1383/2003 op te leggen wanneer een „vereenvoudigde procedure” in de zin van artikel 11 daarvan door de betrokken ondernemers is ingeleid, zij erop gewezen dat die vereenvoudigde procedure, zoals uit punt 9 van de considerans van deze verordening blijkt, is ingevoerd om de toepassing van verordening nr. 1383/2003 zowel voor de douane-instanties als voor de houders van intellectuele-eigendomsrechten gemakkelijker te maken.

24 Krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1383/2003 moet namelijk het bevoegde douanekantoor, wanneer het na inwilliging van een verzoek van de houder van het recht om optreden, vaststelt dat van de betrokken goederen wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, de vrijgave van die goederen schorsen of deze vasthouden, zodat een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht kan worden vastgesteld.

25 Enerzijds kan de niet-beŽindiging van deze procedure binnen de voorgeschreven termijnen leiden tot het binnenbrengen in het douanegebied van de Gemeenschap van goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten, en anderzijds moet de merkhouder, wanneer hij een verzoek om optreden indient, overeenkomstig artikel 6, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1383/2003 bij dat verzoek een verklaring voegen waarin hij ermee instemt alle uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende kosten te betalen in verband met het douanetoezicht uit hoofde van artikel 9 en, indien van toepassing, artikel 11.

26 Om de nadelen te verhelpen die met name zijn verbonden aan de duur van de procedure en de opslagkosten voor de houder van het intellectuele-eigendomsrecht, voorziet verordening nr. 1383/2003 in de mogelijkheid van een vereenvoudigde procedure op grond waarvan de houder van dit recht met de instemming van de aangever, de houder of de eigenaar van de verdachte goederen, deze goederen onder douanetoezicht kan laten vernietigen, en zulks, zoals uit punt 9 van de considerans van deze verordening blijkt, zonder dat een procedure moet worden ingeleid om vast te stellen of krachtens de nationale wetgeving inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht.

27 De inleiding van een dergelijke vereenvoudigde procedure – waarvan de invoering in de rechtsorde van de lidstaten slechts facultatief is – kan de autoriteiten van deze staten evenwel niet het recht ontnemen om een „sanctie” in de zin van artikel 18 van verordening nr. 1383/2003 op te leggen, aangezien de lidstaten volgens deze bepaling bij overtreding van deze verordening dergelijke sancties moeten vaststellen.

28 Zoals uit punt 3 van de considerans van verordening nr. 1383/2003 blijkt, moet namelijk de invoer van goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht in het douanegebied van de Gemeenschap algemeen worden verboden.

29 In dit verband moeten de lidstaten, zoals bepaald in artikel 18 van verordening nr. 1383/2003 juncto punt 10 van de considerans daarvan, bij overtreding van deze verordening doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vaststellen.

30 Anders dan Schenker stelt, kan de vernietiging van de goederen na een facultatieve procedure waarmee de merkhouder en de invoerder moeten instemmen, evenwel niet worden aangemerkt als een sanctie die wordt opgelegd door een nationale autoriteit op grond van de sanctieregeling welke de lidstaten krachtens artikel 18 van verordening nr. 1383/2003 moeten vaststellen.

31 Zoals de Tsjechische en de Finse regering terecht opmerken, wordt voorts in artikel 11, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 1383/2003 uitdrukkelijk bepaald dat de vernietiging steeds wordt voorafgegaan door het nemen van monsters die de douaneautoriteiten zo moeten bewaren dat zij als bewijsmateriaal toelaatbaar zijn in een gerechtelijke procedure van de lidstaat waarin zij mogelijkerwijze zullen moeten worden gebruikt.

32 Wat de aard van het bewijs betreft dat ter vaststelling van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht nodig is, zij ten slotte vastgesteld dat overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 1383/2003 aan de hand van de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de goederen zich in een van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde situaties bevinden, wordt vastgesteld of in de zin van het nationale recht inbreuk is gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht.

33 Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de inleiding van de in artikel 11 van verordening nr. 1383/2003 bedoelde vereenvoudigde procedure met de instemming van de houder van een intellectuele-eigendomsrecht en de invoerder, de bevoegde nationale autoriteiten niet het recht ontneemt om degenen die voor de invoer van dergelijke goederen in het douanegebied van de Gemeenschap verantwoordelijk zijn, een „sanctie” in de zin van artikel 18 van deze verordening, zoals een bestuurlijke boete, op te leggen.

Kosten
34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
De inleiding, met de instemming van de houder van een intellectuele-eigendomsrecht en de invoerder, van de vereenvoudigde procedure bedoeld in artikel 11 van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten, ontneemt de bevoegde nationale autoriteiten niet het recht om degenen die voor de invoer van dergelijke goederen in het douanegebied van de Europese Gemeenschap verantwoordelijk zijn, een „sanctie” in de zin van artikel 18 van deze verordening, zoals een bestuurlijke boete, op te leggen.
ondertekeningen
* Procestaal: Lets.