LJN: AZ7557, Rechtbank Haarlem , AWB 06-4616Print uitspraakDatum uitspraak:14-12-2006Datum publicatie:31-01-2007Rechtsgebied:Bestuursrecht overigSoort procedure:Eerste aanleg - meervoudigInhoudsindicatie:Besluit van de inspecteur om vrijgave van goederen tegen te houden wegens vermoedelijke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht is een algemene bestuurszaak. De Douanekamer van de rechtbank Haarlem is niet bevoegd en het Communautair Douanewetboek is in casu niet van toepassing. Verweerder heeft eiseres ten onrechte niet aangemerkt als belanghebbende.UitspraakRECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 4616

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2006

in de zaak van:

Sandisk Corporation,
gevestigd te Wilmington, Delaware, Verenigde Staten,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.J. Helder, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de Inspecteur van de Belastingdienst Douane West,
verweerder.


1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2005 heeft verweerder de vrijgave van 2 colli MP3 spelers, geregistreerd onder airwaybillnummer 618-8559 9194, waarvan UPS SCS (Nederland) B.V. als beheerder fungeert, wegens vermoedelijke inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht tegengehouden.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 augustus 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 2 mei 2006 beroep ingesteld.

Het door eiseres ingediende verzoek van 16 juni 2006 om het treffen van een voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter afgewezen.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 september 2006, alwaar namens eiseres zijn verschenen [X en Y] werkzaam bij Sandisk en [Z], partner van het Amerikaanse advocatenkantoor dat Sandisk bijstaat, vergezeld van een tweetal tolken. Aanwezigen zijn bijgestaan door hun gemachtigden mr. N.J. Helder en mr.drs. M. Chin-Oldenziel.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H. Bijker, inspecteur en mr. P.H. Jacobs, werkzaam bij het directoraat generaal Belastingen van het ministerie van FinanciŽn.

2. Overwegingen
2.1 Artikel 5, eerste en tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 (publicatieblad Nr. L196 van 2 augustus 2003), ookwel genoemd de Antipiraterij Verordening (hierna de Verordening) luidt als volgt;
1. In elke lidstaat kan de houder van het recht de bevoegde douanedienst schriftelijk om optreden van de douaneautoriteiten verzoeken wanneer goederen zich in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde omstandigheden bevinden (verzoek om optreden).
2. De lidstaten wijzen de douanedienst aan die bevoegd is voor het ontvangen en behandelen van deze verzoeken.

Artikel 8 van de Verordening luidt als volgt;
1. Wanneer de bevoegde douanedienst het verzoek inwilligt, specificeert hij binnen welke termijn de douaneautoriteiten zullen optreden. deze termijn is ten hoogste een jaar. na afloop daarvan kan de termijn op verzoek van de houder van het recht, na betaling van alle bedragen die deze krachtens de verordening verschuldigd is, worden verlengd door de dienst die het oorspronkelijke besluit heeft genomen.
De houder van het recht stelt de in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegde douanedienst ervan in kennis wanneer zijn recht niet meer geldig geregistreerd is of verstrijkt.

Artikel 9 van de Verordening luidt als volgt;
1. Wanneer een douanekantoor waaraan overeenkomstig artikel 8 een besluit tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht is toegezonden, in voorkomend geval na overleg met de indiener van het verzoek vaststelt dat van goederen die zich in een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde situaties bevinden, wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, schorst het de vrijgave of houdt het de goederen vast.
Het douanekantoor informeert onmiddellijk de bevoegde douanedienst die het verzoek om optreden heeft behandeld.

Artikel 13 van de Verordening luidt als volgt:
1. Wanneer het in artikel 9, lid 1, bedoelde douanekantoor niet binnen tien werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving van de schorsing van vrijgave of vasthouding, ervan in kennis is gesteld dat overeenkomstig artikel 10 een procedure is ingeleid om te bepalen of volgens het nationale recht een intellectuele-eigendomsrecht is geschonden, of dit kantoor, indien van toepassing, de in artikel 11, lid 1, bedoelde instemming van de houder van het recht niet heeft ontvangen, worden naar gelang van het geval de goederen vrijgegeven of wordt de vasthouding ervan beŽindigd, op voorwaarde dat alle douaneformaliteiten zijn vervuld.
Deze termijn kan in bepaalde gevallen met ten hoogste tien werkdagen worden verlengd.

2.2 Op verzoek van Societŗ Italiana per lo Sviluppo dell'Elettronica S.I.S.V.E.L. SpA (hierna: Sisvel) gevestigd te None, ItaliŽ en optredend als gevolmachtigde van houders van octrooien betrekking hebbend op zogenaamde MP3-technologie, heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord op 1 december 2004, ingevolge artikel 8 van de Verordening aangegeven gedurende een jaar op te zullen treden indien er een vermoeden is dat bepaalde goederen inbreuk maken op het octrooirecht van de betreffende octrooihouders. Deze termijn is verlengd tot 30 november 2006.

Bij besluit van 9 juli 2005 ex artikel 9, eerste lid, van de Verordening, heeft verweerder aan UPS SCS (Nederland) B.V. (hierna: UPS) medegedeeld dat de goederen waarvan UPS als beheerder fungeert, te weten 2 colli MP3 spelers, geregistreerd onder airwaybillnummer 618-8559 9194, op grond van artikel 13 van de Verordening worden tegengehouden voor een termijn van tien werkdagen. Deze termijn duurde tot en met 22 juli 2005.

Sisvel heeft op 22 juli 2005 conservatoir beslag laten leggen op eerder genoemde partij MP3 spelers met oog op een door haar te voeren procedure inzake inbreuk van het octrooirecht.

Niet in geschil is dat eiseres eigenaar is van de betreffende partij MP3 spelers.

Eiseres heeft tegen het besluit van verweerder, om de MP3 spelers niet vrij te geven, bezwaar aangetekend.

In de beslissing op bezwaar heeft verweerder de bezwaren van eiseres primair niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de beschikking voorts niet tot haar gericht is en subsidiair vanwege het ontbreken van procesbelang.

2.3 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de prealabele vraag naar haar bevoegdheid in de behandeling van dit beroep als algemene bestuurszaak.

2.4 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de Douanekamer van de rechtbank Haarlem in deze bevoegd is (absolute competentie). Zij voert daartoe aan dat uit de preambule van de Verordening ondubbelzinnig blijkt dat het optreden van de douaneautoriteit ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten, in zijn geheel samenhangt met de Europese douanewetgeving. Eiseres is gelet hierop van oordeel dat de zaak door een in het douanerecht gespecialiseerde rechter dient te worden beoordeeld.

Daarbij stellen zowel eiseres als verweerder zich op het standpunt dat er sprake is van een voor beroep vatbare beschikking in de zin van artikel 27, tweede lid, onderdeel b, Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR).

2.5 De rechtbank volgt partijen niet in hun betoog en overweegt daartoe als volgt.

2.6 Ingevolge artikel 27, tweede lid aanhef en letter b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, jo. artikel 56 van de Wet op de rechterlijke organisatie is de douanekamer van de rechtbank Haarlem bevoegd indien het beroep een voor bezwaar vatbare beschikking betreft, die is gegeven op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de douanewet.

2.7 Wettelijke bepalingen in de zin van de douanewet zijn ingevolge artikel 2, tweede lid, onder a van die wet: "de bepalingen inzake de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer, waaronder begrepen de regelingen bedoeld in artikel 1, vierde lid". Laatstgenoemd artikel luidt als volgt: "Onder de naam "douanerechten" wordt een belasting geheven overeenkomstig hetgeen dienaangaande, mede onder de benaming invoerrecht, is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties".

2.8 De onderhavige bestreden beschikking waarvan bezwaar en beroep is gegeven op grond van artikel 9 van de Verordening. Deze verordening bevat geen bepalingen inzake de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer.

2.9 De onderhavige bestreden beschikking is voorts ook geen beschikking als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het Communautair Douane Wetboek (hierna: CDW). Volgens laatstgenoemde bepaling is een beschikking: "elke administratieve beslissing verbandhoudend met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft; hieronder vallen onder meer bindende tariefinlichtingen in de zin van artikel 12". Aangezien ingevolge artikel 1 van het CDW de douanewetgeving gevormd wordt door dit wetboek, alsmede de communautaire en nationale bepalingen die ter uitvoering ervan worden vastgesteld en de Verordening blijkens haar considerans niet is vastgesteld ter uitvoering van het CDW is de onderhavige beschikking geen beslissing verband houdende met de douanewetgeving en derhalve geen beschikking in de zin van het CDW.

2.10 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het door partijen aangevoerde beroep op artikel 73, dan wel artikel 75, aanhef, sub a, vierde gedachtestreepje van het CDW wordt afgewezen. In de eerste plaats omdat het bezwaar en beroep zich niet richt tegen de beschikking als bedoeld in artikel 73 CDW en van een beschikking als bedoeld in artikel 75 aanhef, sub a, vierde gedachtestreepje van het CDW niet is gebleken. In de tweede plaats zou een bezwaar en beroep tegen een beschikking als bedoeld in artikel 73 CDW zinledig zijn indien niet ook de beschikking op grond van artikel 9 van de Verordening hierbij zou worden betrokken aangezien laatstgenoemde normstellend is en de beschikking als bedoeld in artikel 73 CDW slechts daaraan volgend.

2.11 De rechtbank overweegt dat, gelet op artikel 8 van de Verordening, een redelijke uitleg van artikel 9, van de Verordening gelezen in samenhang van artikel 25 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2006, met zich brengt dat de Inspecteur van de Belastingdienst Douane West te Hoofddorp in deze aangemerkt dient te worden als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.12 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat zij gezien het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, tweede volzin, Awb bevoegd is om kennis te nemen van onderhavig beroep.

2.13 In geschil is voorts de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van rechtstreeks belang bij het besluit van verweerder van 9 juli 2005.

2.14 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van eiseres niet rechtstreeks betrokken is bij het besluit van 9 juli 2005, maar dat zij slechts een afgeleid belang daarbij heeft. Volgens verweerder is alleen UPS belanghebbende omdat het primaire besluit aan haar, als aangever en expediteur van de goederen, is geadresseerd. Zij voert daartoe aan dat de schorsing van de vrijgave van de goederen ex artikel 9, eerste lid, van de Verordening in een zodanig verband staat met de in artikel 1, eerste lid, van de Verordening opgenomen expliciete verwijzing naar de regeling van de aangifteprocedure in het CDW, dat deze kan worden opgevat als een beslissing van de douaneautoriteiten verband houdend met de douanewetgeving en daarmee als een beschikking in de zin van artikel 4, onder 5, CDW. Ingevolge artikel 243 CDW komt in casu slechts aan de aangever van de goederen, te weten UPS, het recht toe om bezwaar in te stellen tegen de beslissing tot schorsing van de vrijgave van de goederen, aldus verweerder.

2.15 Eiseres bestrijdt evenwel het standpunt van verweerder dat zij geen persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 9 juli 2005. Eiseres verwijst in dit verband naar artikel 4, vijfde lid, CDW waarin is bepaald dat de administratieve beslissing voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen dient te hebben. Aangezien het CDW rechtstreeks werkt en moet worden geacht voorrang te hebben indien het nationale procesrecht beperkter werkt, dient aldus eiseres, deze ruimere invulling van het begrip belanghebbende gevolgd te worden.

Eiseres betoogt voorts dat zij rechtstreeks geraakt wordt door het primaire besluit omdat het direct van invloed is op haar kernactiviteit, te weten het verkopen van producten met MP3 technologie in de Europese Gemeenschappen via Nederland en door het feit dat goederen in haar eigendom en door haar verzonden en ontboden, worden opgehouden. Eiseres stelt gelet hierop rechtstreeks te worden geraakt in haar rechtspositie. Bovendien is er bij het besluit ex artikel 9, eerste lid, van de Verordening sprake van automatische toepasbaarheid, zodat degene tot wie een dergelijk besluit is gericht niet ook degene hoeft te zijn die rechtstreeks door dit besluit wordt geraakt.

2.16 Zoals onder rechtsoverweging 2.9 reeds is overwogen, is de onderhavige beschikking geen beslissing verband houdende met de douanewetgeving en derhalve geen beschikking in de zin van het CDW. Nu het CDW niet van toepassing is dient, bij beantwoording van de vraag of verweerder terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, uitsluitend artikel 1:2 Awb als kader.

2.17 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.18 Buiten twijfel staat dat het bestreden besluit eiseres beperkt in haar eigendomsrecht. Naar oordeel van de rechtbank moet, nu eiseres als gevolg van het besluit van 9 juli 2005 niet kan beschikken over de aan haar toebehorende partij MP3 spelers, zij worden geacht rechtstreeks in haar belang te zijn getroffen. Het enkele feit dat UPS als expediteur van de goederen geadresseerde is van het betreffende besluit maakt dit niet anders, nu het sluiten van een expeditieovereenkomst in deze slechts moet worden gezien als administratieve procedure. De rechtsbank ziet, gelet op diens rol als tussenpersoon, niet in welk belang UPS heeft bij het besluit van 9 juli 2006. Gelet hierop heeft verweerder eiseres ten onrechte niet aangemerkt als belanghebbende.

2.19 Verweerder heeft zich in de beslissing op bezwaar subsidiair op het standpunt gesteld dat bovendien niet is voldaan aan het vereiste van materieel procesbelang. Daartoe heeft verweerder betoogd dat eiseres met haar bezwaar wil bereiken dat de schorsing van de vrijgave van de goederen wordt opgeheven en de goederen weer in haar beschikkingsmacht komen. Nu Sisvel reeds op 22 juli 2005 conservatoir beslag heeft gelegd op de goederen en dit beslag kennelijk thans nog geldt, kan zij met het ongedaan maken van de schorsing niet de beschikkingsmacht over de goederen verkrijgen, aldus verweerder.

2.20 De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het conservatoir beslag niet los gezien kan worden van het besluit tot schorsing van de vrijgave van 9 juli 2005. Bovendien is het, gelet op de activiteiten van eiseres, zijnde het via Nederland importeren van MP3-technologie in de Europese gemeenschappen, niet ondenkbeeldig dat opnieuw een partij goederen zal worden opgehouden met het oog op mogelijke inbreuk op het octrooirecht van Sisvel. Aan deze mogelijke herhaling ontleent eiseres voldoende procesbelang bij inhoudelijke beoordeling van haar bezwaren tegen het besluit van 9 juli 2005.

2.21 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw een beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres. Van verweerder wordt verwacht dat hij hierbij ingaat op hetgeen door eiseres inhoudelijk is aangevoerd. Hierbij merkt de rechtbank op dat niet op voorhand gezegd kan worden dat hetgeen eiseres inhoudelijk heeft aangevoerd geen doel kan treffen.

2.22 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.


3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 28 maart 2006;

3.3 veroordeelt de Inspecteur van de Belastingdienst Douane West in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal Ä 644,--, te betalen door Staat der Nederlanden aan eiseres;

3.4 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.5 gelast dat Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van Ä 281,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. A.J. Roke, rechters, en op 14 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.





afschrift verzonden op:


Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.